Algemeen

Algemene aandoeningen

Maak hieronder uw keuze voor meer informatie

Artrose

Meer bewegen met minder moeite.
Uw gewrichten voelen stijf aan. Als u wilt bewegen doet dat pijn. En u heeft moeite met lopen. Dit kan wijzen op artrose, de meest voorkomende gewrichtsaandoening, ook wel ‘gewrichtsslijtage’ genoemd. Artrose kan zich in alle gewrichten voordoen maar komt meestal voor in de heup en de knie. Meestal is artrose geen ernstige aandoening. Als u af en toe pijnlijke, stijve gewrichten hebt, hoeft u zich niet meteen zorgen te maken. Maar als de klachten verergeren, is het goed om dit te bespreken met uw huisarts of fysiotherapeut. Meestal kan hij/zij op basis van de klachten beoordelen of u last heeft van artrose; een röntgenfoto is daarvoor zelden nodig. Als artrose klachten geeft, kan de fysiotherapeut u helpen om weer beter te bewegen. Dit kan hij door u oefeningen te leren, u te begeleiden bij het ontdekken van wat uw lichaam aankan en met adviezen gericht op uw dagelijkse leven.

Wat is artrose?
Artrose is een aandoening waarbij het gewrichtskraakbeen slechter wordt. Dit kraakbeen zorgt er mede voor dat het gewricht soepel en pijnloos kan bewegen en heeft een schokdempende werking. Bij artrose raakt het gewrichtskraakbeen echter beschadigd, kan zich niet herstellen en zelfs geheel verdwijnen. Het gewricht kan schokken minder goed opvangen en bewegen gaat moeilijker. Door de reactie van het onderliggende bot hierop kunnen problemen ontstaan. Het gewricht kan uitsteeksels vormen, dikker worden en een andere vorm krijgen. Bewegingen worden pijnlijk. 
Als reactie gaat u minder bewegen wat weer stijfheid en slappe spieren veroorzaakt. Er kunnen ook ontstekingen in de gewrichten ontstaan. Het gewricht wordt dan behalve pijnlijk ook warm en gezwollen

Oorzaak van artrose.
Hoe artrose ontstaat, is niet precies bekend. Het is wel duidelijk dat het afhankelijk is van meerdere factoren. Een belangrijke factor voor het ontstaan van artrose van heup en/of knie is overgewicht. Ook zware belasting van de gewrichten door zwaar lichamelijk werk of intensief sporten kan tot artrose in de heup en/of knie leiden. Soms kan beschadiging van het gewricht door een ongeval aanleiding zijn voor het ontstaan van artrose. Het kan ook ontstaan doordat het gewricht juist heel weinig wordt belast, bijvoorbeeld als u zittend werk doet of deed. Waarschijnlijk speelt aanleg ook een rol. Geschat wordt dat in Nederland ongeveer 500.000 mensen in meer of mindere mate last hebben van artrose van het heup- of kniegewricht. Artrose komt meer voor bij ouderen en meer bij vrouwen dan bij mannen.

Wat merkt u van artrose?
De invloed van artrose op uw dagelijkse leven hangt af van hoe de aandoening zich ontwikkelt. Dat is bij iedereen anders. Bij artrose van heup en/of knie overheersen meestal de pijnklachten. Andere klachten kunnen zijn ochtendstijfheid, verminderde beweeglijkheid, afname van spierkracht en stabiliteit en een verminderde conditie. Geleidelijk kunnen problemen ontstaan met allerlei activiteiten zoals lopen, traplopen, in en uit de auto stappen, fietsen of schoenen aantrekken. Door toename van artrose kan de pijn verergeren en de beweeglijkheid van het heup- of kniegewricht en de spierkracht verder verminderen. Sommige mensen ondervinden thuis of op hun werk serieuze problemen. In een ernstige vorm van de aandoening kan de stand van de botten veranderen en daardoor de lichaamshouding. Het komt vaak voor dat de pijnklachten verminderen, ondanks een steeds verder afnemende beweeglijkheid en een toenemend verlies van de gewrichtsfunctie. 

Wat kan fysiotherapie betekenen bij artrose?
Voor artrose is geen genezing mogelijk. U moet er letterlijk mee ‘leren leven’. De fysiotherapeut kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Zodat u het gewricht weer normaal of in elk geval zo goed mogelijk kunt gebruiken. U leert om tijdens uw dagelijkse activiteiten op een goede manier met de pijn en de stijfheid om te gaan. Samen met de fysiotherapeut ontdekt u wat uw lichaam aankan. Geleidelijk zal de pijn afnemen of verdwijnen. 
Om te beginnen zal de fysiotherapeut samen met u uw probleem in kaart brengen en er een behandelplan voor maken. De fysiotherapeut leert u oefeningen om de spieren rondom het ‘probleemgewricht’ te trainen. Ook krijgt u oefeningen om uw conditie te verbeteren. Daarnaast krijgt u advies over wat u zelf kunt doen en welke bewegingen voor u geschikt zijn, en leert u meer over het belang van voldoende bewegen. Ook leert u omgaan met bijvoorbeeld een kruk of een stok als dat voor u nodig is. Gaandeweg bent u in staat beter met de klachten te leven en met vertrouwen te bewegen. 
Verder kan de fysiotherapeut gebruik maken van andere therapievormen, zoals manuele therapie om de pijn en stijfheid van de gewrichten te verminderen. U begint meestal met individuele oefentherapie. Soms kunt u vervolgens deelnemen aan groepstherapie. Dit kan prettig zijn omdat u ervaringen kunt uitwisselen. Hier leert u uw houding en bewegingen verder te verbeteren, op zo’n manier dat u er ook in uw dagelijkse leven profijt van heeft.
Het is belangrijk om u goed te realiseren dat u zelf veel kunt doen om uw klachten te verminderen. Het is belangrijk dat u tijdens en na afloop van de therapie actief blijft. Ook al doet het pijn, als u verstandig blijft bewegen heeft dat een positief effect. Het is namelijk gebleken dat hierdoor vaak de pijn en de beperkingen verminderen en de verergering van artrose afneemt.

Operatie.
Bij ernstige artrose kan het gewricht vervangen worden door een kunstheup of kunstknie. Als een operatie nodig is, kan de fysiotherapeut u zowel voor als na de operatie ondersteunen. U krijgt informatie over wat u direct na de operatie wel en niet mag doen en hoe u het geopereerde gewricht zo snel mogelijk weer goed kunt gebruiken. Ook leert de fysiotherapeut u goed gebruik te maken van bijvoorbeeld een kruk of een stok bij het lopen. 

Nog een paar tips.
Probeer uw conditie op peil te houden. Het is belangrijk dat u een balans vindt tussen in beweging blijven en rust nemen. Als pijnklachten en stijfheid optreden tijdens of na bewegen, dan moet u het (even) rustiger aan doen. 

• Blijf in beweging en doe dagelijks uw oefeningen. 
In het algemeen zijn alle bewegingsvormen goed waarbij u veelzijdig beweegt, zoals bijvoorbeeld zwemmen, fietsen en wandelen.
• Voorkom overgewicht.
• Vermijd plotselinge/schokkende bewegingen.
• Vermijd een te zware belasting van de heup/knie 
zoals bij traplopen, hurken, knielen of kruipen.
• Pas op met het tillen en sjouwen van zware voorwerpen
• Verander regelmatig van houding.
• Draag schoenen met schokabsorberende zolen.
• Rust op tijd uit, zeker als de gewrichten warm, 
gezwollen of pijnlijk zijn.

Medicatie.
Sommige mensen met artrose gebruiken medicijnen tegen de pijn of de ontsteking van het gewricht. Door het onderdrukken van de pijn kunt u makkelijker in beweging komen. En als u meer beweegt, wordt de pijn vaak minder en neemt ook de behoefte aan pijnstillers af. Of medicijnen nodig zijn, verschilt per persoon. Uw huisarts of een medisch specialist kan u hierbij adviseren. De pijnstilling mag ook weer niet te zwaar zijn. Pijn heeft immers ook een functie, namelijk waarschuwen als u het gewricht te zwaar of te veel belast.

Oefeningen en adviezen bij artrose van de heup of knie vindt u hier. 

Bursitis (slijmbeursontsteking)

Bursitis (slijmbeursontsteking)
In het lichaam zitten op diverse plaatsen slijmbeurzen (bursa) die ervoor zorgen dat botten, spieren en pezen soepel langs elkaar heen kunnen bewegen en niet tegen elkaar aan schuren. Ook zorgen deze bursa ervoor dat uitstekende botstukken (zoals de heup) beschermd worden.

Door overbelasting van een gewricht, een val of door een infectie, kan een slijmbeurs ontstoken raken. Het gevolg hiervan is dat de slijmbeurs opzwelt.

Hierdoor ontstaat pijn en kan men zich beperkt voelen in het bewegen. Met name druk op de slijmbeurs, door bijvoorbeeld steunen op de ellebooog, is pijnlijk.
Bij een bacteriële slijmbeursontsteking kan ook roodheid en koorts optreden.

Waardoor kan het komen?
Een bursitis kan ontstaan door teveel druk op de slijmbeurs, overbelasting van een gewricht, een val of een infectie. Als gevolg hiervan zwelt de slijmbeurs op.

Hoe wordt het vastgesteld?
Een bursitis kan door middel van een anamnese en lichamelijk onderzoek worden vastgesteld.

Wat kan helpen?
Bursitis geneest meestal met rust, gedoseerde bewegingen en vermijden van de overbelasting van het gewricht. Als herstel uitblijft, moet het gewricht onderzocht worden op verdere afwijkingen.

Medicijnen kunnen helpen om de de ontsteking te remmen. Ook kan een corticosteroïde injectie gegeven worden (niet bij een bacteriële ontsteking).

In ernstige gevallen kan de de slijmbeurs operatief verwijderd worden.

Wie kan helpen?
Een bursitis wordt in eerste instantie door de huisarts behandeld.

Daarnaast kan een fysiotherapeut bewegingsadvies geven.

Indien de bursa verwijderd wordt, is de orthopedisch chirurg hierbij betrokken. Hiervan is alleen sprake in ernstige gevallen, als genezing uitblijft.
 
Online bronnen: Gezondheidsplein.nl

Complex Regionaal Pijn Syndroom type I (CRPS)/ Reflex Dystrofie

Complex Regionaal Pijn Syndroom type I
Het Complex Regionaal Pijn Syndroom type I (CRPS) is een aandoening die na een letsel of een operatie kan ontstaan aan een van de ledematen.

Dystrofie:  Synoniemen 
Complex (ook wel Chronisch) Regionaal Pijn Syndroom (CRPS), Postraumatische Dystrofie (PD), Sudeckse Dystrofie (ook wel Atrofie), Sympathische Reflex Dystrofie, Reflex Sympathetic Dystrophy (RSD).
 

Het syndroom kan ook omschreven worden als een abnormaal sterke reactie van het lichaam op een letsel of operatie. De ernst ervan staat los van de ernst van het letsel. Zo kan een klein letsel, bijvoorbeeld een kneuzing van de hand, een ernstige vorm van dystrofie geven. Een zwaar letsel, zoals een gecompliceerde enkelbreuk, kan in lichte mate CRPS tot gevolg hebben. In de meeste gevallen treedt er geen CRPS op na een letsel of operatie. Jaarlijks krijgen rond 8.000 mensen deze complicatie wel.

De verschijnselen die kunnen optreden in het aangedane lichaamsdeel zijn:
- pijn (die bij inspanning toeneemt)
- algehele zwelling
- verminderde beweeglijkheid
- pijn bij het aanraken van de huid
- verschil in huidtemperatuur (warm bij een warme dystrofie en koud bij een koude dystrofie)
- huidverkleuring van het aangedane gebied (rood, blauw of glanzend)

Als aan vier van deze verschijnselen wordt voldaan, kan de diagnose CRPS gesteld worden.

Andere verschijnselen die op kunnen treden zijn:
- een veranderde/versterkte nagelgroei met afbrokkelen van de nagels
- een versterkte haargroei op het aangetaste lichaamsdeel
- een verhoogde zweetproductie van bijvoorbeeld een handpalm of voetzool

Naar schatting zijn er tenminste 20.000 patiënten met CRPS in Nederland. Het syndroom is een aandoening die op alle leeftijden voorkomt, maar vaker bij mensen tussen de 45 en 60 jaar en meer bij vrouwen (75%) dan bij mannen.

CRPS is in Nederland ook bekend onder de namen posttraumatische dystrofie of Sudeckse dystrofie. De gangbare Amerikaanse benaming is Reflex Sympathetic Dystrophy (RSD).


Waardoor kan het komen?
Het is nog niet goed bekend hoe CRPS ontstaat. Meestal beginnen de symptomen met snel na het letsel optredende pijn die lang kan aanhouden. In enkele gevallen ontstaat CRPS spontaan. Het overgrote deel van de 8.000 mensen geneest binnen korte tijd, meestal zonder restverschijnselen. De overige patiënten krijgen te maken met een langdurige of zelfs chronische situatie.

Er is een aantal theorieën over het ontstaan van CRPS:

Abnormale ontstekingsreactie theorie
CRPS is, volgens deze theorie, een abnormale (steriele) ontstekingsreactie waarbij zuurstofradicalen een grote rol spelen. (Zuurstofradicalen of vrije radicalen zijn kort levende agressieve deeltjes, die voortdurend bij onze stofwisseling vrijkomen en onze cellen aanvallen.) Er zouden teveel zuurstofradicalen worden gevormd waardoor gezond weefsel beschadigd wordt. Het normale herstelproces zou uit de hand lopen en tot schade aan gezond weefsel leiden. De kenmerkende verschijnselen bij een ontsteking zijn roodheid, zwelling, warmte, functiestoornis en pijn.

Psychosociale theorie
Hierbij gaat men ervan uit dat patiënten die CRPS krijgen bepaalde psychologische kenmerken hebben die hen extra gevoelig maakt voor dit syndroom.

Inactiviteitstheorie
Bij deze theorie is de gedachte dat dystrofie of atrofie kan ontstaan door inactiviteit, die ontstaat doordat patiënten niet willen of durven te oefenen na een ongeval of letsel. (Dystrofie betekent groeistoornis van organen, cellen en weefsels. Atrofie betekent verschrompeling van organen). Uit onderzoek blijkt dat patiënten met CRPS echter niet in staat zijn om te oefenen omdat er onvoldoende zuurstof wordt opgenomen in de spieren van het aangedane lidmaat. Spierarbeid is niet mogelijk, en daardoor is intensief oefenen dus niet mogelijk.

De psychosociale theorie en inactiviteitstheorie zouden met elkaar kunnen samenhangen. Voor beide theorieën zijn geen afdoende wetenschappelijke bewijzen geleverd. Uit onderzoeken zijn geen verschillen gebleken in persoonlijkheidsstructuren bij patiënten met en zonder CRPS.

Sympathische reflex theorie
Het ontstaan van CRPS wordt in deze theorie toegeschreven aan een over-reactie van het sympathisch zenuwstelsel. De verstoring van het sympathisch zenuwstelsel leidt tot veranderingen in kleur, temperatuur en zweten van het lidmaat. Niet alle verschijnselen van CRPS kunnen vanuit deze theorie worden verklaard.

Hoe wordt het vastgesteld?
Voor de diagnose van CRPS zijn artsen voornamelijk aangewezen op de anamnese en het klinisch waarnemen van de symptomen zoals pijn, functiebeperking, zwelling, verkleuring, temperatuurverschil ten opzichte van het andere lidmaat, zweten en versterkte haargroei. Een toename van de symptomen na belasting en oefeningen komt vaak voor.

Een röntgenfoto, MRI of botscan hebben onvoldoende diagnostische waarde om CRPS vast te stellen. Ook laboratoriumonderzoek van bloed of andere lichaamsmaterialen levert geen aanwijzingen voor CRPS op.

Wat kan helpen?
Omdat nog niet goed bekend is hoe en waarom deze abnormale heftige reactie op een relatief gering letsel of operatie ontstaat, is er geen behandeling die de voorkeur heeft.
Het is van groot belang dat CRPS in een vroeg stadium wordt vastgesteld omdat met een vroege start van de behandeling verergering mogelijk voorkomen kan worden. Bij ongeveer tachtig à negentig procent van de mensen met CRPS treedt volledig of bijna volledig herstel op.

Er zijn verschillende behandelingsvormen die iemand met CRPS kan ondergaan:

Medische behandeling
De behandeling met medicijnen tegen zuurstofradicalen bestaat uit verschillende mogelijkheden:
- Toepassen van DMSO creme (niet te gebruiken bij infectie of wonden)
- Slikken N-acetylcysteïne (Fluimucil) tabletten voor zes tot acht weken

- Bij koude CRPS kan het helpen om de vaten te verwijden. Dit kan door middel van:
* het slikken van Nicardipine, Ketanserine en/of Verapamil tabletten.
* bij ernstige vaatvernauwing kunnen de vaten verwijd worden door het toedienen van Bupivacaine door middel van een infuus of een ingebrachte catheter rond het ruggenmerg.
* in ernstige gevallen is soms een blokkade van een zenuw mogelijk

Algemene pijnbestrijding
Bij pijn kan men pijnstillers innemen. De hoeveelheid of soort pijnstiller kan afhankelijk van de pijn worden aangepast. Zie hiervoor de Pijnmedicatie volgens de WHO richtlijn.

Als dit niet voldoende is, kan de pijn eventueel bestreden worden met anti-epileptica.
Spierkrampen kunnen bestreden worden met MgSO4. Als dat geen succes heeft, kunnen baclofen (Lioresal) of hydrokinine (Inhibin) toegediend worden.

Wanneer het syndroom al langer aanwezig is en bestand is tegen bovenstaande therapie kan ruggenmergstimulatie worden overwogen ter bestrijding van ernstige pijn als er één ledemaat is aangedaan.

Als er twee of meer ledematen zijn aangedaan die niet reageren op de medicijnen, kan het medicijn Baclofen worden toegediend in het ruggenmergvlies.

Paramedische behandeling
Fysiotherapie en ergotherapie nemen een belangrijke plaats in bij de behandeling van CRPS. In de de eerste fase van de aandoening is de behandeling vooral gericht op fysiotherapie. Ook ergotherapie is aan te bevelen, later of direct als ondersteunende behandeling.

Fysiotherapie
De doelstelling van de behandeling is de patiënt zoveel mogelijk controle te laten krijgen over zijn klachten. De belangrijkste behandeldoelen zijn:
- het verhogen van de controle over de pijn en het optimaliseren van het omgaan met de klacht. Bijvoorbeeld door het informeren en begeleiden van de patiënt (gerichte gesprekken, bijhouden en bespreken van een dagactiviteitenschema) of ontspanningsoefeningen
- het aanpakken van de bron van pijn en eventueel behandelingen zoals TENS, bindweefselmassage, oefentherapie en gebruik van spalk of draagdoek toepassen
- het verbeteren van vaardigheden bijvoorbeeld door oefenen en trainen van vaardigheden en houdings- en bewegingsinstructie.
- aan het verbeteren van de beweeglijkheid kan worden gewerkt zodra de pijn onder controle is. De nadruk ligt hierbij op het actief en functioneel bewegen.

Ergotherapie
Algemene ergotherapeutische behandeldoelen bij de bovenste extremiteit zijn:
- verminderen van klinische symptomen, beschermen en ondersteunen van de aangedane extremiteit in de meest functionele en aangename positie: met een spalk, uitleg en advies. Er wordt beoordeeld of er een indicatie is voor het aanmeten van een ondersteunende spalk. Dit kan een rustspalk zijn voor de gehele hand en onderarm of voor een deel ervan zoals de pols of de duim. Instructie over het dragen van de spalk wordt individueel gegeven. Het doel van het dragen van orthesen is het verminderen van de klachten en voorkomen van overbelasting.
- bevorderen van het functioneel gebruik van de extremiteit binnen de pijngrens. Hierbij wordt gebruik gemaakt van diverse spelactiviteiten, handvaardigheidtechnieken en/of dagelijkse activiteiten
- het bevorderen van de zelfstandigheid met name op het gebied van zelfverzorging, productiviteit en ontspanning.

Psychologische ondersteuning
Als er wordt vermoed dat de psychologische toestand van de patiënt het genezingsproces zal beïnvloeden, kan begeleiding door een psycholoog worden overwogen.

Veel revalidatiecentra hebben een behandelaanbod waarbij de revalidatiearts, fysiotherapeut, ergotherapeut, psycholoog en maatschappelijk werker in nauw overleg de behandeling uitvoeren. Dit heeft als voordeel dat een gespecialiseerd behandelteam beschikbaar is en de behandelaars vaak op dezelfde locatie op één dag bezocht kunnen worden.

- Rust van het aangedane lichaamsdeel. Daarbij kan een spalk of brace worden aangelegd. Voor de bestrijding van de pijn worden pijnstillers voorgeschreven, eventueel een combinatie van bloedvatverwijdende en/of ontstekingsremmende medicijnen.
- Ook kan er een gecombineerde behandeling worden voorgeschreven met zowel geneesmiddelen als fysiotherapie en/of ergotherapie. Bij aanhoudende pijnklachten kan een pijnpolikliniek helpen bij het bestrijden van de pijn.
- Tijdens een ziekenhuisopname kan er een infuus worden gegeven met suikervloeistof waar het lichaam gunstig op zou kunnen reageren.

Wie kan helpen?
Behandelaars die betrokken zijn bij de behandeling zijn de huisarts en orthopeed. Verder kunnen de fysiotherapeut, ergotherapeut en pijnspecialist helpen bij de behandeling.

Ermee leven
CRPS wordt nog onvoldoende begrepen en is soms moeilijk te herkennen. De aandoening is erg onvoorspelbaar en kan een grote invloed op patiënten en hun omgeving hebben. Dit kan gepaard gaan met onbegrip, verdriet of boosheid. Soms moeten er aanpassingen in huis komen of op het werk. Het kan zijn dat begeleiding van de patiënt en partner of het gezin gewenst is.

Omgaan met pijn of handicap gaat de een gemakkelijker af dan de ander. Als genezing (voorlopig) uitblijft is het van belang dat de ziekte wordt geaccepteerd en dat er een manier wordt gevonden om ermee om te gaan. Daarbij kan hulp van een psycholoog of maatschappelijk werker soms gewenst zijn. Dat betekent niet dat CRPS psychisch is maar dat deze chronische en pijnlijke aandoening een enorme impact op mensen kan hebben.

Bronnen: Behandelingsprotocol CRPS type I-W.W.A. Zuurmond & R.S.G.M. Perez. Nederlands Tijdschrift voor Pijn en Pijnbestrijding 2003:22
Online bronnen: Nederlandse Vereniging van Posttraumatische Dystrofie Patiënten; Posttraumatische Dystrofie vereniging; Ziekenhuis.nl

COPD

Wat is COPD?

COPD staat voor ‘Chronic Obstructive Pulmonary Disease’ een verzamelnaam voor chronische bronchitis en longemfyseem. Dit zijn aandoeningen van de longen en luchtwegen, die een voortdurende vernauwing van de luchtwegen veroorzaken.

Chronische bronchitis  is een ontsteking van het slijmvlies in de luchtwegen (bronchiën). Als de bronchiën ontstoken of geïnfecteerd zijn, wordt er overtollige slijm aangemaakt, waardoor de luchtstroom in en uit de longen beperkt kan worden.

Longemfyseem is een chronische ziekte, waarbij steeds meer longblaasjes verloren gaan. De ernst van de ziekte hangt samen met het aantal aangedane longblaasjes. Bij ernstige vormen komen de longblaasjes met elkaar in verbinding te staan en ontstaan er grote, met lucht gevulde blazen (bullae). Die kunnen het ernaast gelegen gezonde longweefsel samendrukken. Langdurige ontsteking van het slijmvlies van de luchtwegen begint vaak met extra slijmvorming. Later beschadigt de ontsteking de longen. Kleine luchtwegen verliezen op den duur hun stevigheid en de longen worden minder rekbaar.
Verkoudheid, luchtweginfecties of prikkelende lucht, zoals rook, verergeren de ontsteking van het slijmvlies in de luchtwegen.

Wat zijn de klachten: 

De klachten als gevolg van COPD kunnen zijn: benauwdheid, kortademigheid, vermoeidheid, verminderd inspanningsvermogen.

Bij beginnend COPD merkt u dat tijdens zwaardere lichamelijke inspanning zoals fietsen tegen de wind in of hard lopen. Als COPD verergert, wordt u al benauwd bij traplopen of stevig wandelen. 

COPD is niet te genezen, maar een gezonde leefwijze en behandeling met de juiste geneesmiddelen en fysiotherapie kunnen ervoor zorgen de gevolgen van COPD beter beheersbaar worden.

Wat is de oorzaak van COPD? 

Verreweg de belangrijkste oorzaak van COPD is (mee)roken. Rook veroorzaakt een lang aanhoudende ontsteking van het slijmvlies in de luchtwegen. Langdurig werken in een omgeving met bijvoorbeeld veel steen- en metaalstofdeeltjes in de lucht kan eveneens tot een ontsteking leiden. De beschadiging van het slijmvlies verergert geleidelijk waardoor klachten vaak pas na het 40ste levensjaar merkbaar worden. Verder kunnen factoren zoals luchtverontreiniging en erfelijkheid een rol spelen. 

Klachten beperken en leren omgaan met COPD.

Als u zich inspant en dat leidt tot benauwdheid en hoestbuien, is het begrijpelijk dat u lichamelijke activiteiten liever mijdt. Maar als u COPD heeft, is het extra belangrijk dat uw conditie niet in een neerwaartse spiraal terechtkomt. Als u minder beweegt, zullen klachten juist eerder optreden en uw mogelijkheden steeds verder afnemen. Dat is jammer, want uw fysiotherapeut kan u leren hoe u door beweging uw klachten zoveel mogelijk beperkt. 

Longrevalidatie: voor wie?

Bij longrevalidatie worden mensen begeleid die bekend zijn met longproblematiek en klachten en/of beperkingen ervaren in het dagelijks leven, zoals snellere vermoeidheid, kortademigheid en verminderde kracht. Deze patiënten kunnen door hun huisarts of specialist verwezen.

Het programma

Bij patiënten die in aanmerking komen voor een longrevalidatieprogramma vindt eerst een uitgebreide intake plaats, bestaande uit een vraaggesprek en fysieke testen. Tijdens deze intake wordt gekeken welke specifieke problemen zich voordoen. Aan de hand hiervan wordt een individueel trainingsprogramma opgesteld eventueel aangevuld door ademhalingsoefeningen. Vervolgens wordt dit trainingsprogramma gevolgd in groepsverband, onder begeleiding van een gespecialiseerde fysiotherapeut.

De frequentie en duur van het programma zijn afhankelijk van het doel dat de patiënt en de fysiotherapeut samen opgesteld hebben. Het trainingsprogramma bestaat meestal uit 3 maanden 2 x per week training en daarna 1 x per week. Er wordt ieder half jaar een test gedaan om het trainingseffect te meten. De groepsgrootte is maximaal 6 personen.

Wat u verder nog moet weten

Longrevalidatie is een vorm van fysiotherapie welke in de meeste gevallen wordt vergoed door uw zorgverzekeraar. Heeft u interesse en komt u in aanmerking voor longrevalidatie? Informeer dan bij uw zorgverzekeraar. Heeft u belangstelling, wilt u meer informatie of heeft u vragen, neem dan contact met ons op.

Informatie over COPD training vindt u hier.  
Een voorlichtingsfilm over inhalatie technieken van uw medicatie vindt u hier. 

CVA

Een ongelukje in een bloedvat in de hersenen met grote gevolgen. Dat is een beroerte. Elk jaar overkomt het ongeveer 30.000 Nederlanders. Een beroerte is in ons land de belangrijkste oorzaak van invaliditeit.De gevolgen van een beroerte zijn deels lichamelijk van aard: problemen met lopen, een arm die 'niet meewerkt', moeite met praten. Daarnaast kan een beroerte ook voor psychosociale problemen zorgen, wat merkbaar is in uw gedachten, gedrag of karakterveranderingen.

Na de eerste zorg direct na de beroerte, begint voor de meeste patiënten een periode van revalideren. Daarbij werken vele zorgverleners samen. Deze folder gaat specifiek over wat fysiotherapie voor u kan betekenen. In de eerste dagen na een beroerte, in de revalidatieperiode en ook op langere termijn. Ook als u al enige tijd geleden een beroerte heeft gehad, is deze folder interessant voor u.

De fysiotherapeut kan vooral helpen om de lichamelijke problemen te verminderen. Door zijn/haar begeleiding, advies en oefeningen leert u daarnaast om te gaan met uw beperkingen. Verder kan de fysiotherapeut ook de mensen in uw directe omgeving adviseren.

Wat is een beroerte (CVA) precies?

De medische term voor een beroerte is CVA, wat staat voor 'cerebro vasculair accident'. Letterlijk betekent dit: een ongeluk in de bloedvaten van de hersenen. Daarbij beschadigt het hersenweefsel. In de meeste gevallen (80%) gebeurt dat door de afsluiting van een bloedvat, maar het kan ook door een bloeding komen (20%).

Gevolgen
De gevolgen van een beroerte verschillen van patiënt tot patiënt. Vaak is een beroerte ingrijpend en de problemen zijn veelal blijvend van aard. Merkbaar zijn de lichamelijke beperkingen. U loopt bijvoorbeeld minder goed, heeft problemen met praten of kunt een arm niet meer goed gebruiken. Minder in het oog springend zijn veranderingen in het waarnemen, gedrag en vermogen om problemen op te lossen. Ook dat kunnen gevolgen zijn van een beroerte.

Omvang van problemen
De problemen die u ondervindt, zijn afhankelijk van welk deel van de hersenen beschadigd is. Een beroerte in de ene hersenhelft zorgt vaak voor een verlamming van de tegenovergestelde kant van hetlichaam. Dus een beroerte in de rechter hersenhelft zorgt voor verlamming aan de linkerkant van uw lichaam en omgekeerd. Daarnaast hangt de ernst van de gevolgen af van de hoeveelheid weefsel die in de hersenen is beschadigd. Hoe meer hersencellen zijn beschadigd, hoe meer klachten dat met zich meebrengt. Een beschadiging hoeft overigens lang niet altijd tot verlammingsverschijnselen te leiden, maar kan ook zorgen voor andere stoornissen, zoals hiervoor genoemd is.

De behandeling van CVA

Het merendeel van de mensen die een beroerte krijgen, wordt direct opgenomen in een ziekenhuis, bij voorkeur met een stroke-unit. De stroke-unit is een gespecialiseerde afdeling waar acute zorg gegeven wordt aan patiënten met een beroerte. 'Stroke' is de Engelse benaming voor beroerte. Ruim de helft van de patiënten kan na een aantal dagen of weken weer naar huis. Als dat nog niet mogelijk is, volgt overplaatsing naar een revalidatiecentrum of een verpleeghuis.

Revalidatie
Het merendeel van de patiënten, thuis of in een instelling, gaat een periode van (poli)klinische revalidatie tegemoet. Uzelf maar ook uw partner of familieleden zullen met de gevolgen van een beroerte moeten leren omgaan. Daarbij krijgt u met verschillende zorgverleners te maken. Er wordt intensief samengewerkt tussen ziekenhuizen (al dan niet met eigen stroke unit), revalidatiecentra, verpleeghuizen en fysiotherapie praktijken. Dit wordt een CVA-zorgketen genoemd.

Teamwerk
Revalideren is teamwerk. Het wordt ook wel multidisciplinair behandelen genoemd. Dat wil zeggen: elke hulpverlener met een eigen werkgebied levert een specifieke bijdrage aan het revalidatieproces. Het multidisciplinaire team bestaat onder meer uit een (revalidatie)arts, (verpleeg)huisarts, een ergotherapeut, een logopedist, een (neuro-)psycholoog, een maatschappelijk werker, een (wijk)verpleegkundige en een fysiotherapeut. De behandeling van het multidisciplinaire team richt zich in de eerste maanden na een beroerte op het voorkomen of verminderen van lichamelijke en psychosociale problemen. Uiteraard is de onderlinge afstemming in de zorgketen een belangrijke voorwaarde voor een effectief revalidatieproces.

Wat kan fysiotherapie voor u betekenen?
De fysiotherapeut draagt op verschillende manieren bij aan het welzijn en herstel van patiënten met een beroerte. Dat begint het liefst zo snel mogelijk nadat de diagnose 'beroerte' door de neuroloog is gesteld. Daarna begint voor de meeste patiënten de revalidatiefase waar fysiotherapie deel van uitmaakt. Ook op langere termijn helpt de fysiotherapeut, als deskundige van het dagelijks bewegen, u bij het herstel en het verbeteren van uw mogelijkheden. Voor specifieke deskundigheid kunt u verwezen worden naar een geriatriefysiotherapeut.

De eerste dagen
Het is goed om na een beroerte zo snel mogelijk weer uit bed te komen, bij voorkeur binnen drie dagen. Daar helpt uw fysiotherapeut u bij. Snel weer in beweging komen heeft een positieve invloed op het herstel. Ook vermindert daardoor de kans op complicaties zoals luchtweginfecties en doorliggen. Soms kan een patiënt niet actief oefenen of is een dergelijke inspanning nog niet gewenst. Ook is het mogelijk dat er nog geen zekerheid is over de precieze diagnose. In deze fase zal de fysiotherapeut de behandeling bij uw bed geven. Hij/zij kan dan adviseren over wat voor u de meest comfortabele lighouding is. Aan de verpleging kan de fysiotherapeut hierover instructies geven. Soms kan de behandeling bestaan uit hulp bij het bewegen van uw armen en benen, ademhalingsoefeningen en/of het zelf weer leren omdraaien in bed.

De revalidatiefase
Wanneer u uit bed mag, zal de fysiotherapeut zo mogelijk dagelijks oefeningen geven. Daarbij gaat het vooral om bewegingen zoals het weer leren opstaan en gaan zitten, staan en zich verplaatsen. Daarnaast kan de fysiotherapeut een verlamde arm of een pijnlijke schouder behandelen. Belangrijk is dat u ook zelf al in een vroeg stadium aan de fysiotherapeut laat weten wat u wilt bereiken met de therapie. Het uiteindelijke doel van de fysiotherapie is doorgaans dat u leert om allerlei dagelijkse activiteiten weer zelf te doen. In hoeverre dit ook lukt, is vaak moeilijk te voorspellen, zeker wanneer de beroerte nog niet zo lang geleden heeft plaatsgevonden. Wel staat vast dat intensief oefenen noodzakelijk is, soms meerdere keren per dag. Het is zelfs denkbaar dat u als gevolg van een beroerte weer opnieuw moet leren lopen. Om het oefenen te vergemakkelijken wordt vaak gebruik gemaakt van een hulpmiddel zoals een looprek, een wandelstok of een beugel ter ondersteuning van bijvoorbeeld de voet. Uw fysiotherapeut leert u dan hoe u goed gebruik maakt van deze hulpmiddelen. een terugval kan leiden. Met oefeningen onderhoudt u de vaardigheden die u geleerd heeft en blijft uw conditie op peil. Fysiotherapie zal meestal plaatsvinden op een poliklinische afdeling, in een fysiotherapiepraktijk of bij u thuis. Mogelijk verblijft u in een verpleeghuis, al dan niet met eigen fysiotherapeut.

Een half jaar na de beroerte
Ongeveer een half jaar na een beroerte wordt pas echt duidelijk met welke beperkingen u moet leren omgaan. Verder herstel is dan overigens nog goed mogelijk. Dit hangt onder andere af van uw motivatie om oefeningen te blijven doen. Het is belangrijk dat u zich realiseert dat niet regelmatig oefenen tot een terugval kan leiden. Met oefeningen ondehoudt u de vaardigheden die u gellerd heeft en blijft uw conditie op peil. Fysiotherapie zal meestal plaatsvinden op een poliklinische afdeling, in een fysiotherapiepraktijk of bij u thuis. Mogelijk verblijft u in een verpleeghuis, al dan niet met eigen fysiotherapeut. U leert hoe u zo goed mogelijk met de blijvende beperkingen kunt omgaan. Ook helpt fysiotherapie u om uw fysieke conditie te onderhouden. Daarnaast ondersteunt en adviseert de fysiotherapeut andere hulpverleners, die direct betrokken zijn bij de zorgverlening aan u. Het accnet van de fysiotherapie zal gaandeweg vooral gericht zijn op het hervatten van uw dagelijkse activiteiten, zoals werk, hobby's en sport. Het is goed als u zelf aangeeft wat u wilt bereiken. Dan kan de fysiotherapeut de behandeling, adviezen en begeleiding daar op afstemmen.

Etalagebenen (claudicatio intermittens)

Blijf niet met klachten rondlopen.
Na een stukje lopen komt pijn, kramp of vermoeidheid in uw been opzetten. Steeds moet u even stilstaan om de pijn te laten zakken. Dat kan wijzen op claudicatio intermittens, beter bekend als ‘etalagebenen’. Want wie met deze klachten in een winkelstraat loopt, lijkt steeds even stil te staan om een etalage te bekijken. Het is echter ook mogelijk dat de klachten pas merkbaar worden als u sneller gaat lopen, fietst, traploopt of op moeilijker begaanbaar terrein loopt, zoals in het bos of op het strand.
Als u denkt dat u last heeft van claudicatio intermittens, dan is het goed om uw huisarts of fysiotherapeut te raadplegen. Met een goede aanpak zullen de klachten op den duur meestal niet verder toenemen of zelfs afnemen. Kortom: u kunt er veel baat bij hebben. Als deskundige van het dagelijks bewegen kan de fysiotherapeut bepalen wat voor u de juiste aanpak is en u daarin begeleiden. Op deze pagina vindt u praktische tips hoe u zelf de conditie van uw benen kunt verbeteren.

Wat is claudicatio intermittens of: wat zijn etalagebenen?
Tijdens het lopen hebben de beenspieren meer zuurstof nodig dan in rust. Die zit in uw bloed, het transportmiddel in uw lichaam. Zuurstof wordt door bloedvaten (de slagaders) aangevoerd. Als u sneller loopt of een heuvel opgaat, gebruikt u meer zuurstof. De klachten ontstaan doordat bij etalagebenen de slagaders van het been door aderverkalking vernauwd zijn. De vernauwing zorgt voor een verminderde aanvoer van bloed en dus van zuurstof naar de beenspieren. Dat zorgt voor pijnklachten tijdens het lopen, in uw voet, kuit, dijbeen of bil, afhankelijk van de plaats van de bloedvatvernauwing. Als u stilstaat, komen de spieren tot rust en kan het zuurstoftekort worden aangevuld. De klachten nemen dan weer af. Bij extra inspanning, bijvoorbeeld tempoversnelling, zullen de klachten eerder optreden omdat er dan meer zuurstof wordt gevraagd. Ook bij een lage temperatuur zijn er sneller klachten omdat de bloedvaten door de kou iets samentrekken.
De pijn die optreedt tijdens het lopen kan uw dagelijks leven behoorlijk verstoren, zowel thuis, op uw werk, als in uw sociale contacten. Bovendien vermindert uw conditie als u door de klachten te weinig beweegt. Als de aandoening langer bestaat kunt u ook last krijgen van koude voeten, het ontbreken van een onderhuidse vetlaag of verdikte teennagels. Wondjes aan voet of been genezen minder goed en gaan soms zweren. 

Risicofactoren voor het ontstaan van etalagebenen.
Wat voor hart- en vaatziekten in het algemeen geldt, gaat ook op voor ‘etalagebenen’. Roken is de grootste risicofactor. Wie een hoge bloeddruk, een te hoog cholesterolgehalte in het bloed of suikerziekte heeft, kan eerder etalagebenen krijgen. Ook overgewicht en te weinig beweging zijn risicofactoren. Soms ‘zit het in de familie’ en kunt u er weinig aan doen. Meerdere risicofactoren versterken elkaar.

Wat kan fysiotherapie voor u betekenen? 
Door de pijn bent u geneigd minder te bewegen waardoor de klachten alleen maar verergeren. De fysiotherapeut helpt u om in beweging te blijven en de problemen door etalagebenen te verminderen in uw dagelijkse leven. Samen streeft u naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid. 
Doordat lopen pijn gaat doen, gaan veel mensen met etalagebenen op een andere, geforceerde manier lopen. Dit is bedoeld om klachten te vermijden, maar kost veel energie en is op den duur juist hinderlijk. Looptraining onder begeleiding van de fysiotherapeut blijkt daarom heel effectief te zijn. Onder deskundige begeleiding leert u de coördinatie verbeteren en u kunt steeds verder lopen zonder pijn.

Heeft u problemen met specifieke vaardigheden zoals traplopen? Deze kunt u dan gericht trainen onder begeleiding van een fysiotherapeut.
Het geven van de juiste informatie en goede voorlichting is een essentieel onderdeel van de fysiotherapeutische behandeling van etalagebenen. Om blijvend resultaat te boeken, is immers vaak een verandering van uw gedrag nodig.

De fysiotherapeut leert u hoe u zelfstandig blijvend uw klachten onder controle kunt houden. Hiervoor heeft de fysiotherapeut, naast de behandeling, een activeringsprogramma. Dit stimuleert u om na afloop van de therapie te blijven bewegen en de gezonde leefgewoonten voort te zetten. En dat gaat makkelijker als u plezier heeft in de activiteiten en (eventueel) als u ze in groepsverband doet. De fysiotherapeut adviseert dan ook bewegingsactiviteiten die bij u passen.
Informeer voor een fysiotherapeutische behandeling bij uw huisarts, fysiotherapeut, bedrijfsarts of specialist. Over de vergoeding van de behandeling kunt u de informatie van uw ziekenfonds of particuliere ziektekostenverzekeraar raadplegen. 

Wat kunt u zelf doen?
De klachten zijn vervelend, maar hoeven geen ernstige gevolgen te hebben. Het is vooral belangrijk om tijdig actie te ondernemen. Een belangrijk deel van de behandeling heeft u in eigen hand. Stoppen met roken, de juiste hoeveelheid beweging en eventueel afvallen zijn de belangrijkste aandachtspunten. Verder is een goede voetverzorging belangrijk om te voorkomen dat de slechte bloedtoevoer leidt tot slecht genezende wondjes of zweren, met name als u suikerziekte heeft. Probeer daarom wondjes, bijvoorbeeld bij het knippen van de nagels, te voorkomen.

Roken schaadt de conditie van de bloedvaten ernstig. Daarom is het advies: stoppen. De klachten nemen dan niet verder toe en vaak worden ze zelfs minder. Voor ondersteuning bij het stoppen met roken kunt u terecht bij uw huisarts of Stivoro (zie www.stivoro.nl).
Het is belangrijk om te blijven bewegen, ook al krijgt u er pijn door. Door elke dag te wandelen verbetert de bloedtoevoer in de benen. Geleidelijk kunt u steeds langer zonder klachten lopen. Het is belangrijk om het wandeltempo zo te kiezen dat de klachten ook daadwerkelijk optreden. Als u niet wandelt, zult u sneller klachten krijgen. Bent u onzeker over uw mogelijkheden, vraag dan bij uw fysiotherapeut advies en begeleiding om op een verantwoorde manier te bewegen. 

Wandeladvies.
- Zorg dat uw wandeltempo hoog genoeg is om de klachten op te roepen.
- Wandel tot de klachten optreden.
- Rust uit tot de klachten verdwenen zijn.
- Herhaal deze oefening enkele malen gedurende 15 tot 30 minuten.
- Doe de wandeloefeningen 3 keer per dag 

Als u last heeft van overgewicht, probeer dan af te vallen door op calorieën te letten, vetarm te eten en meer te bewegen. Als u minder zwaar bent, hoeven uw spieren zich minder in te spannen, hebben ze minder zuurstof nodig en kunt u langer probleemloos wandelen.

De behandeling van etalagebenen.
De behandeling is erop gericht om problemen door de klachten te beperken en de risicofactoren voor aderverkalking te verminderen. Sommige patiënten hebben genoeg aan het wandeladvies. Er is echter ook een groep patiënten die intensievere begeleiding door een fysiotherapeut nodig heeft. Soms is zelfs een ingreep in het ziekenhuis (dotter of bypass) nodig om de vernauwing van het bloedvat op te heffen. Ook na zo’n operatie kan een fysiotherapeutisch onderzoek gewenst zijn. Dan wordt vooral uw manier van lopen bekeken waarna mogelijk een fysiotherapeutische behandeling volgt.

Er kunnen medicijnen worden gebruikt om de risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals hoge bloeddruk, hoog cholesterol en suikerziekte, te beïnvloeden. De medicijnen die momenteel beschikbaar zijn bij etalagebenen zijn geen vervanging voor looptraining, stoppen met roken of een chirurgische ingreep.

Osteoporose

Osteoporose is een syndroom dat de dichtheid van botten beïnvloedt, waardoor deze brozer worden en makkelijk breken. Het belangrijkste mineraal waar het bot uit opgebouwd is bestaat uit een verbinding van calcium en fosfaat. Osteoporose wordt vastgesteld door middel van het meten van de botmineraaldichtheid (bone mineral density, BMD) zoals die gemeten kan worden met röntgenabsorbtie (Dual Energy X-ray Absorptiometry of DEXA meting). Als een BMD wordt gemeten die 2.5 standaardafwijkingen lager is dan die van een 20-jarige wordt osteoporose aangenomen.

Osteoporose kan zeer verschillende oorzaken hebben. De meest voorkomende oorzaak is de hormonale veranderingen ten gevolge van de menopauze, vandaar dat de aandoening relatief vaak voorkomt bij oudere vrouwen.

Men moet vooral bedacht zijn op osteoporose wanneer een breuk in een bot ontstaat bij een feitelijk geringe belasting (een simpel verstappen bij een stoeprand of bij het dichtdoen van een deur). In deze gevallen is onderzoek naar de onderliggende oorzaak zeer belangrijk. Ook wanneer in de familie vaker osteoporose voorkomt loopt iemand een verhoogd risico.

Het voorkomen (tegengaan) van osteoporose, of het vertragen van het ontstaan kan op een aantal manieren. Van belang zijn: Zorgen voor een goede botdichtheid als je jong bent, door goede voeding (voldoende calcium, vitamine D) in combinatie met beweging, wat de botten belast en daardoor sterker maakt. Vervolgens zorgen voor een actief bestaan: als je je botten niet regelmatig belast zullen ze minder sterk worden. Sportief, afwisselende beweging is belangrijk. Ook als je ouder bent blijft goede voeding belangrijk: voldoende calcium en vitamine D, maar ook weinig zoet en beperkte eiwitinname dragen bij tot een langer behoud van je botmassa.

Ook het gebruik van medicijnen heeft invloed. Medicijnen die ontstekingsactiviteit remmen en afgeleid zijn van bijnierschorshormonen (corticosteroïden) versnellen het proces van botontkalking wat leidt tot osteoporose. Er zijn echter ook medicijnen die de botaanmaak stimuleren: deze medicijnen die zijn afgeleid van vrouwelijke geslachtshormonen als oestrogeen en oestradiol beperken de botafbraak en een laatste groep middelen genaamd bisfosfonaten kunnen zelfs de afzetting van botmineralen bevorderen. Van belang is dat deze medicatie trouw wordt ingenomen omdat anders de effectiviteit sterk vermindert. De medicatie kan nooit alle botbreuken ten gevolge van osteoporose voorkomen. Momenteel wordt ingeschat dat bij trouw gebruik van de medicatie 50% minder breuken op zullen treden.

Reuma

Reumatoïde artritis of R.A. is een ontsteking van het synovium in gewrichten, die bij 1 à 2 % van de bevolking voorkomt. Regelmatig zijn ook peesscheden en slijmbeurzen bij het ontstekingsproces betrokken. De term reuma omvat in de volksmond (en in de terminologie van de reumastichting) vele ziekten. Reumatoïde artritis, artrose, fibromyalgie, de ziekte van Bechterew en jicht zijn een paar voorbeelden. Voor artsen is 'reuma' echter meestal specifiek een aanduiding voor reumatoïde artritis.

De oorzaak is de vorming van lysosomale enzymen (afbrekende enzymen oftewel hydrolytische enzymen) die ter plekke worden geproduceerd door cellen van het immuunsysteem, dus betreft het een auto-immuunproces. Deze resembleert een type IV hypersensitiviteits reactie, vanwege de betrokkenheid van CD4 T-cellen (TH1 en TH2 cellen) en die van CD8 cytotoxische T-cellen bij respectievelijk de bevordering van vernietiging door macrofagen en B-cellen van het immuunsysteem en apoptose (geprogrammeerde celdood). Hoewel zeer velen in de bevolking gewrichtsklachten hebben die ze met 'reuma' aanduiden, is RA in strikte zin relatief zeldzaam, en gaat gepaard met alle ontstekingsreacties: pijn/zwelling/warmte/roodheid en functieverlies tot en met vergroeiing van de aangedane gewrichten. Naast gewrichten kan RA echter vrijwel alle orgaansystemen aantasten. De meeste mensen met RA kunnen met de huidige stand van behandeling een redelijk normaal leven leiden. Er is echter een kleine groep patiënten die op den duur ernstig geïnvalideerd raakt.

Diagnose
Reumatoïde artritis is (nog) een klinische diagnose, die wordt gesteld op de klachten en verschijnselen van de patiënt, zonder dat laboratoriumonderzoek daar een grote rol bij speelt. De Amerikaanse reuma-associatie hanteert de volgende citeria:

5 van de volgende moeten tenminste zes weken aanwezig zijn:

-stijve ledematen, vooral in de ochtend > 1 uur;
-pijn in tenminste 1 gewricht bij beweging;
-zwelling door verdikking van weke delen in tenminste 1 gewricht;
-tenminste een ander gewricht met zwelling van de weke delen;
-slecht mucineprecipitaat uit synoviale vloeistof;
-karakteristieke histologische veranderingen in het synovium;
-karakteristiekek histologie van noduli;
-Daarbij mogen er geen andere aandoeningen zijn die de klachten verklaren.

Er zijn niet zo lang geleden antistoffen ontdekt die alleen bij mensen met reumatoïde artritis lijken voor te komen, de anti-CCP. (CCP = cyclic citrullinated peptide). Anti-CCP in het bloed betekent meestal dat iemand R.A heeft of R.A zal krijgen. Dit is een veel nuttiger test dan de al veel langer bekende 'reumafactor' die in tegenstelling tot wat de naam suggereert niet of nauwelijks hulp biedt bij het stellen van de diagnose.

Voor het stellen van de diagnose reumatoïde artritis is röntgenonderzoek in de regel niet noodzakelijk. Alleen indien de patiënt op basis van gegevens verkregen door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek niet geheel voldoet aan de criteria voor het stellen van de diagnose reumatoïde artritis én de latexfixatietest een negatieve uitslag oplevert, kunnen röntgenologisch vastgestelde erosies de doorslag geven bij het stellen van de diagnose. Röntgenonderzoek blijft in dit geval beperkt tot de handen/polsen en de voorvoeten, omdat erosie van bot op die plaatsen het eerst optreedt. Erosies vroeg in het ziektebeloop wijzen op gewrichtsschade en zijn een teken van de ernst en de progressie van de reumatoïde artritis. Weliswaar correleert hun aanwezigheid niet altijd goed met de klachten en functionaliteit, maar ze vormen wel een belangrijke maat voor de progressie van de ziekte.

Reumatoïde artritis is niet erfelijk, hoewel het in sommige families vaker voorkomt.

Reumatoïde artritis kan op iedere leeftijd debuteren. Tot de leeftijd van 45 jaar is de man/vrouw verhouding 1:3; op oudere leeftijd worden de verschillen tussen beide geslachten geringer. Onder de leeftijd van 16 jaar spreekt men van juveniele artritis.

Whiplash

Een aanrijding met de auto, een ongelukkige duik in ondiep water, tijdens het sporten, op verschillende manieren kan iemand een whiplash oplopen. In elk geval heeft uw hoofd een flinke ‘zwiepende’ beweging gemaakt ten opzichte van uw romp. Lang niet iedereen houdt daar klachten aan over, een aantal mensen ondervindt er in het dagelijks leven echter de nodige hinder van. De klachten kunnen direct na het ongeluk gekomen zijn, of pas een dag of twee erna.

Het is niet helemaal duidelijk waar de klachten precies vandaan komen. En dat maakt het lastig om aan te geven hoe snel u er weer vanaf bent. Een ding is zeker: u kunt er zelf het nodige aan doen. Door gedoseerd en met beleid te bewegen draagt u bij aan vermindering van de klachten en voorkomt u dat ze langdurig aanhouden en chronisch worden.

Over het algemeen verloopt het herstel bij een whiplash voorspoedig. Hieronder geven we aan welke bewegingen u juist wel kunt maken en waarmee u beter op kunt passen. Als specialist van de dagelijkse bewegingen helpt de fysiotherapeut u op weg met advies, behandeling en begeleiding.

Wat is een whiplash precies?
De letterlijke vertaling van whiplash is ‘zweepslag’. Het hoofd heeft een plotselinge, "zwiepende" beweging naar achteren en naar voren gemaakt ten opzichte van de romp.  Daarbij zijn de spieren en de banden in de nek iets uitgerekt. De nek voelt vaak stijf en pijnlijk aan en bewegen kan pijn doen. De spieren en banden in de nek zijn echter sterk. Na een whiplash is er meestal geen aantoonbare schade aan spieren, botten, banden of zenuwen. Er is niets ‘kapot’ in uw nek of schouder. Waar de klachten dan wél vandaan komen, is tot nu toe niet helemaal duidelijk. De algemene aanname is dat de nek door de krachten van het ongeluk is overbelast en daardoor tijdelijk is ontregeld.

Welke klachten kunnen optreden bij whiplash?
Per jaar wordt het aantal nieuwe whiplashpatiënten geschat op 15.000 tot 30.000. Niet iedereen heeft op dezelfde manier last van een whiplash. Klachten die voor kúnnen komen zijn: pijn en stijfheid in de nek, hoofdpijn, pijn in de arm en schouder, duizeligheid. Ook concentratieproblemen, vermoeidheid, angst, niet goed tegen licht of geluid kunnen, depressieachtige verschijnselen, rugpijn en slaapproblemen kunnen voor komen. Wanneer de klachten ontstaan, verschilt ook per persoon. Een whiplash kan meteen na het ongeluk klachten geven. Maar ze kunnen zich ook pas enige uren tot twee dagen ná het ongeval voordoen. Dit hoort bij het gewone beeld van een whiplash en is niets om u zorgen over te maken.

Vooruitzicht op herstel
Het herstel na een whiplash verloopt meestal voorspoedig. Binnen zes weken na het ongeluk is meer dan de helft van de mensen weer aan het werk en na een jaar vrijwel iedereen. De grote meerderheid heeft geen blijvende hinder van hun whiplash. Het herstel gaat over het algemeen langzamer bij ouderen, bij vrouwen en mensen met veel hoofdpijn. Ook als bij u meteen na het ongeluk nekpijnklachten zijn ontstaan, of als u last heeft van tintelingen in de arm/hand, zal het herstel langer duren, zo leert de praktijk.

Direct na het ongeluk: gedoseerd bewegen
De beste manier om uw nek weer ‘geregeld’ te krijgen, is door gedoseerd te bewegen. U doet er goed aan de eerste dagen na het ongeluk regelmatig uw nek naar alle kanten te bewegen tot het punt waarop dat pijn gaat doen. Het is geen probleem om de eerste dagen na het ongeval (in overleg met uw huisarts) pijnstillers, zoals paracetamol, te gebruiken. Dit zorgt ervoor dat u makkelijker beweegt en beter slaapt. Wanneer u ervoor kiest om pijnstillers te gebruiken, dan is het verstandig om ze in te nemen op vaste tijdstippen. Bouw het gebruik ervan langzaam af en stop niet opeens.

Na vier dagen: geleidelijk méér doen
Vanaf vier dagen na het ongeluk kunt u uw activiteiten langzaam uitbreiden. Doe de eerste drie weken rustig aan en overdrijf niet. Maar bedenk dat bewegen herstellend werkt en rusten niet. Onderzoek heeft aangetoond dat bewegen en het stapsgewijs opbouwen van activiteiten beter is dan rust houden of een halskraag dragen. Uw fysiotherapeut kan samen met u bepalen waarmee u kunt beginnen en hoe u geleidelijk uw activiteiten kunt uitbreiden.

Praktische adviezen voor de eerste drie weken
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat bij mensen met een whiplash hun klachten verminderen als ze hun gewone dagelijkse activiteiten uitvoeren. Een paar praktische adviezen om u daarbij te helpen:Beweeg uw nek regelmatig (om de één à twee uur) zover u kunt zonder dat het pijn doet. Kijk in een rustig tempo ongeveer tien keer afwisselend over uw linker en rechter schouder, kijk vervolgens ongeveer tien keer afwisselend onder uw linker en rechter oksel. Zit rechtop, laat uw hoofd niet hangen. Wissel regelmatig (om de 15 tot 20 minuten) van houding. Vermijd zware activiteiten voor uw nek. Waarbij uw nek wat langer in één houding wordt belast, zoals bij autorijden, computeren, strijken, ramen wassen en fietsen. Of waarbij u uw hoofd maximaal achterover houdt, zoals bij het schilderen van het plafond of wanneer u bij de kapper uw haar laat wassen. Probeer zo normaal mogelijk door te gaan met uw dagelijkse activiteiten. Ook met activiteiten zoals wandelen en fietsen kunt u doorgaan. Doet u het alleen wat korter dan u gewend was en neem regelmatig een pauze.

Een halskraag dragen wordt niet aangeraden, omdat de spieren en banden van uw nek hierdoor slapper worden. Heeft u een halskraag gekregen, draag deze dan niet te lang. Eventueel kunt u in het begin de halskraag dragen bij activiteiten die zwaar zijn voor uw nek. Het is verstandig als u probeert het dragen van de halskraag ook bij deze ‘zwaardere activiteiten’ af te bouwen zodat u binnen drie tot vier weken weer zonder kunt.

Vanaf drie weken na het ongeluk: steeds meer doen
Vanaf drie weken na het ongeluk kunt u geleidelijk steeds meer gaan doen, ook al doet dit soms pijn. Bewegen helpt om de balans in uw nek te herstellen. Een goede indeling van uw dag is belangrijk. Bedenk vooraf wat u redelijkerwijs kunt doen op een dag, verdeel deze activiteiten over de gehele dag en neem (korte) perioden van rust. Zodat uw nek afwisselend belast en ontlast wordt. ‘Rust’ voor de nek betekent niet automatisch liggen of zitten. Zitten is bijvoorbeeld zwaarder voor de nek dan wandelen of liggen. Overleg eventueel met uw fysiotherapeut over wat voor u het beste is.

Praktische adviezen vanaf drie weken
Bouw uw activiteiten verder op. Probeer alle activiteiten die u vóór het ongeval deed weer op te pakken. In het begin lijkt dit misschien eng of kan het pijnlijk zijn. Onthoudt u echter dat er niets ‘kapot’ is in uw nek en begin rustig. Ook met de activiteiten waar u bang voor bent. Hoe langer u deze activiteiten vermijdt, hoe meer problemen ze later kunnen geven. Probeer uw werk of aangepast werk te hervatten. Naarmate u langer uw werk verzuimt, wordt het terugkeren moeilijker en wordt de kans op langdurig werkverzuim groter.

Lage rug

Stabiliserende oefeningen voor uw lage rug vindt u hier. 

Lage rugklachten

Wat is lage rugpijn precies? 

Lage rugpijn heet ook wel spit of lumbago. Naast pijn in de rug kan de pijn ook uitstralen naar de bil of het been. Vooral lang staan of zitten, maar ook bewegen, kan pijn doen. 

Hoe vaak komt het voor? 

Ongeveer 80% van de mensen krijgt wel eens last van de rug. Sommigen krijgen het maar één keer, bij anderen komt het geregeld terug, maar dat betekent niet dat het ernstig is.

Waar komt rugpijn vandaan? 

In 95% van de rugklachten is er geen sprake van een ziekte of blijvende schade van de rug die medisch aan te tonen is. 
Zeker is dat rugpijn bij de meeste mensen te maken heeft met met de spieren, banden en gewrichten in de rug. Deze werken dan even niet zoals zou moeten. Ze zijn, simpel gezegd, 'uit vorm' of 'uit balans'. 
Het is gebleken dat een verstoorde balans tussen belasting (de krachten op de rug) en belastbaarheid (wat iemand geestelijk en lichamelijk aankan) meespeelt. In andere gevallen is er wel een specifieke oorzaak aan te wijzen: een beknelde zenuw, een infectie of een wervelbreuk. Vaak speelt ook onbewuste angst voor bewegen een grote rol.
Rugpijn heeft een goede prognose, dat wil zeggen: de kans is groot dat de klachten verdwijnen. 

Risico's voor uw rug

Er is een aantal risicofactoren bekend die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van lage rugklachten. Een aantal van deze factoren komt vaker terug. 

Bijvoorbeeld: 

  • veel tillen i.c.m. draaiende bewegingen (m.n. met gestrekte benen/knieën;
  • lang in één houding blijven zitten of staan;
  • repeterend (=hetzelfde herhalend) werk doen; 
  • plotselinge hevige inspanningen verrichten;
  • blootgesteld staan aan veel trillingen;
  • overgewicht;
  • roken.

Wat kunt u zelf doen aan lage rugpijn?

Het lijkt soms onlogisch, maar de beste manier om ervoor te zorgen dat uw rug weer in vorm komt, is door beweging.
Onderzoek heeft aangetoond dat niet bewegen of het vermijden van bewegingen uw rug meer kwaad doet dan goed. Het is belangrijk om zo gewoon mogelijk te blijven bewegen. Dan bent u eerder van uw klachten af.
Probeer door te gaan met uw dagelijkse activiteiten en taken, ook al heeft u pijn, maar zonder te overdrijven uiteraard. Bijvoorbeeld zwaar huishoudelijk werk, zwaar tillen en lang in één houding zitten of staan, dat kunt u beter vermijden. Na enkele dagen tot een week kunt u proberen uw rug weer wat meer te belasten. Bouw het geleidelijk aan op, dat is de enige juiste manier. Als u niet zeker bent waar u aan toe bent, vraag dan gerust uw fysiotherapeut om advies. Het is niet aan te raden om veel te doen op de dagen dat u weinig pijn heeft en weinig op de dagen dat u veel pijn heeft.  Blijf bewegen maar forceer niet !

Het motto is dus: blijf bewegen, maar forceer niet! 

Bij een acute aanval van lage rugpijn kunt u evt. pijnstillers nemen (zoals paracetamol). Het is verstandig om ze op vaste tijdstippen in te nemen, bijvoorbeeld om de 4 tot 6 uur. Bedrust is meestal niet nodig, maar soms kan het gewoon niet anders. Probeer in ieder geval niet langer dan 2 dagen in bed te blijven, anders wordt uw rug stijf en raken uw spieren ontwend aan beweging en inspanning. 

Praktisch advies

  • Tillen

Sta er even bij stil hoe u gaat tillen en ken uw eigen kracht. Til en/of draag de dingen dicht tegen uw lichaam aan. Zak door uw knieën (in plaats van voorover bukken) voordat u iets optilt. En voorkom dat u met uw rug draait terwijl u iets zwaars in handen heeft. 

  • Houding

Wisselen van houding is gezond. Sterker nog, als u de hele dag op dezelfde manier zit of staat krijgt u eerder problemen. 

  • Zitten

Gebruik een stoel die een goede steun geeft in de onderrug. Vermijd het zitten op lage en zachte stoelen. Wanneer u lang en achter elkaar moet zitten, probeer dan regelmatig te wisselen van houding, en waar mogelijk elke 20 tot 30 minuten even op te staan en te bewegen. Ga ook na of uw werkblad een comfortabele hoogte heeft. 

  • Staan

Als u lange tijd achter elkaar moet staan, probeer dan regelmatig te wisselen van houding en waar mogelijk elek 20 tot 30 minuten toch even te zitten. 

  • Werk

Wanneer u zich ziek meldt op uw werk, hou dan contact met uw werkgever en collega's. Eventueel kunt u proberen om een deel van de dag weer aan het werk te gaan. Zo blijft u toch betrokken. Bespreek of u eventueel tijdelijk aangepaste werkzaamheden kunt verrichten. 

  • In conditie blijven

Wie fit blijft, loopt minder risico dat de rugpijn weer terugkomt. Daar kunt u aan werken door regelmatig te bewegen, bijvoorbeeld door te wandelen, zwemmen of fietsen. Doe vooral wat u leuk vindt, want dan is het voor u gemakkelijker om het op termijn vol te houden. 
De Nederlands Norm Gezond bewegen: 
Om een goede gezondheid te behouden is het gewenst tenminste vijf dagen per week 30 minuten matig intensieve lichaamsbeweging te hebben. Voor kinderen, jongeren en mensen met overgewicht is het gewenste aantal minuten per dag tenminste 60.

Of aan de norm wordt voldaan hangt af van de duur (totaal 30 of 60 minuten in blokjes van mininmaal tien minuten), de frequentie (minimaal vijf dagen per week) en de intensiteit (iets hogere hartslag en ademhaling. dus stevig doorwandelen, iets harder op de pedalen trappen, eens flink achter de hond aanrennen)

  • Ontspannen

Bij een goede conditie hoort ook ontspanning. Stress zorgt voor een gespannen houding en dit vergroot de kans op rugpijn. 

Wat kan de fysiotherapeut voor u betekenen? 

De fysiotherapeut is vooral uw persoonlijke coach die helpt bij het herstel van uw klachten en bij het oppakken van uw dagelijkse activiteiten.  
De behandeling is voornamelijk gericht op het geven van informatie en adviezen, oefenen en bewegen. 
Bij acute klachten zullen specifieke oefeningen de pijn niet direct doen verdwijnen, maar kunnen er wel voor zorgen dat u zich beter voelt. 
Bij chronische/langdurige klachten leveren specifieke oefeningen aantoonbaar positieve resultaten op. Daarnaast krijgt u algemene informatie, adviezen en oefeningen gericht op uw houding en uw dagelijkse activiteiten. 
Bij een stagnerend herstel of voorafgaand, ondersteunend aan de oefeningen kan het zijn dat de manueel therapeut blokkerende wervelgewrichten losmaakt.

Hernia

Hernia  (Hernia Nuclei Pulposi)

Wat is een hernia?

Hernia betekent letterlijk ‘breuk’ of ‘uitpuiling’. Het is een aandoening die in Nederland veel voorkomt, vooral bij mensen met een instabiele rug of bij mensen die de rug verkeerd belasten. Om te kunnen begrijpen wat een hernia is, moet u eerst iets weten over de opbouw van je wervelkolom.

De wervelkolom bestaat uit wervels en tussenwervelschijven, die bij elkaar gehouden worden door banden, spieren en pezen. Er kan een uitstulping van een tussenwervelschijf ontstaan, wat een hernia wordt genoemd.

Een hernia kan op een zenuwbaan drukken waardoor u pijn in uw rug  en uitstralende pijn in uw billen, uw been en soms in uw voet kan hebben.

Oorzaak van een hernia 

Slijtage van de tussenwervelschijf is de belangrijkste oorzaak van een hernia. Bij ongeveer de helft van de mensen boven de 50 jaar is dit de oorzaak. Meestal geeft een hernia echter geen klachten. Het hoort bij het verouderingsproces.

Het is niet altijd duidelijk wat de oorzaak is van klachten bij een hernia. Zwaar werk met veel tillen, draaien of veel zitten i.c.m. weinig bewegen kan een oorzaak zijn. Een hernia met klachten komt vaak voor bij mensen tussen de 35 en 60 jaar.

Symptomen van een hernia 

U hoeft niet altijd klachten te hebben van een hernia. Als je er wel klachten van hebt, is dit vaak een uitstralende pijn in  billen, pijn in het been tot in de voet. Afhankelijk van de zenuwbaan waar de hernia op drukt, kan er uitval van een of meer spieren ontstaan. De huid kan op die plek dan ‘doof’ aanvoelen of tintelen. Ook al bevindt de hernia zich in de onderrug, je hoeft niet altijd pijn in de onderrug te hebben.

Als je hoest, niest of perst kan de pijn erger worden. Dit komt doordat de druk op de wervelkolom dan wordt verhoogd.

Diagnose van een hernia

Op basis van de beschrijving van de pijn- en uitvalsverschijnselen wordt de diagnose gesteld. Als er vermoedelijk een andere oorzaak van de pijn is, of als er een hernia-operatie wordt overwogen, kan er een MRI-scan of een CT-scan worden gemaakt.

Behandeling: 

80% Van de hernia's hersteld zonder operatie.

De fysiotherapeut kan dit herstel begeleiden middels adviezen omtrent houding, beweging en oefeningen ter opbouw van de belastbaarheid van de wervelkolom.

Hernia operatie

Extra aandacht voor uw houding.
Uw hernia-operatie is achter de rug. En natuurlijk wilt u het alledaagse leven weer snel oppakken. Al hoeven we u niet uit te leggen dat het tijd kost om volledig van de ingreep te herstellen. Factoren als uw lichamelijke conditie, leeftijd en eventueel eerdere operaties aan uw wervelkolom of bewegingsapparaat zijn uiteraard van invloed op uw herstel. Maar het is zeker belangrijk om, vooral in de eerste zes weken, te letten op uw houding en de bewegingen die u maakt.
Bij een micro hernia-operatie kan een aantal activiteiten eerder worden opgepakt, dan bij een standaard hernia-operatie. Fietsen, zwemmen en autorijden kunnen doorgaans na 2 á 3 weken weer hervat worden.
Hier leest u waar u extra op moet letten bij hele gewone zaken zoals zitten, tillen of het huishouden. Veel aanwijzingen zijn erg logisch, maar juist daarom vergeet men ze ook gemakkelijk. Terwijl ze zo belangrijk zijn voor een goed herstel na de operatie. Lees deze informatie daarom goed door en aarzel niet om uw fysiotherapeut om verduidelijking te vragen. In overleg met uw specialist of uw fysiotherapeut kunt u de aanwijzingen eventueel meer toespitsen op uw persoonlijke situatie. We wensen u een spoedig herstel toe en zo min mogelijk ongemak. 

Algemene adviezen
- In de herstelperiode is het belangrijker dan ooit om de signalen van uw lichaam serieus te nemen. In de eerste 4 tot 6 weken is pijn in uw rug een goede graadmeter voor wat u wÈl kunt en wanneer u teveel van uw lichaam vraagt. 
- Neem de eerste 4 tot 6 weken regelmatig rust door te gaan liggen. Wissel activiteiten en houding af.
- Voer uw algemene conditie stapsgewijs op door wandelen of fietsen op een hometrainer. Na 4 tot 6 weken kunt u een stukje buiten gaan fietsen of zwemmen. Korte afstanden kunt u het beste lopend afleggen.
- Blijf niet langere tijd in dezelfde houding voorover, gebogen of gedraaid zitten. Het is goed om uw houding regelmatig af te wisselen.
- Sex hoeft niet gemeden te worden. Vermijd wel houdingen die niet prettig aanvoelen. 

Zitten
- Zitten is belastend voor de rug. Houd daarom een goede zithouding aan. Dat is het makkelijkst op een stoel met een hoge, licht achterover hellende rugleuning en met steun in de lendenen. De stoel moet hoog genoeg zijn om recht te kunnen zitten met de voeten bij de grond. Een tuinstoel die verstelbaar is in vijf standen voldoet meestal goed.
- Probeer ontspannen te zitten zonder onderuit te zakken, eventueel met ondersteuning in de lendenen. Houd de rug iets hol als u zit en ondersteun de rugholte met een kussen.
- Ga regelmatig even lopen. Blijf in de eerste 4 tot 6 weken niet langer dan 20 minuten achter elkaar zitten. 

Vervoer
U kunt gedurende de eerste 4 tot 6 weken als passagier mee in de auto, al is het niet ideaal. Een ritje van een half uur is het maximum. En ga in elk geval niet zelf achter het stuur zitten.
Instappen in de auto vereist een aparte techniek. Verlicht de druk op uw rug en steun zoveel mogelijk op uw armen terwijl u recht naar achter gaat zitten. U zit dan als het ware zijwaarts op de autostoel, met uw benen buitenboord. Draai daarna uw romp en benen als één geheel naar binnen, houd hierbij uw benen tegen elkaar.
Met het openbaar vervoer reizen zit er de eerste 6 weken niet in. Wachten op tram, trein of bus, en zitten op de veelal krappe stoelen en banken is nog niet weggelegd voor iemand die net een hernia-operatie heeft ondergaan.
Laat de fiets nog even staan. Wél is het in de eerste 4 tot 6 weken goed om aan uw conditie te werken op een hometrainer. Let u hierbij op dat u rechtop zit. 

Tillen
Til geen dingen op voordat u met uw fysiotherapeut de juiste techniek heeft doorgenomen. Zeker nu komt het aan op verstandig tillen. In de eerste 4 tot 6 weken kunt u alleen voorwerpen tot één á anderhalve kilo tillen. Ongeveer een pak suiker dus, niet meer. Geleidelijk aan kunt u het gewicht opvoeren. Tilt u vaak, meer dan een paar keer per uur, ga dan niet verder dan 15 kilo. Tilt u maar een paar keer per dag, houd dan de grens van maximaal 25 kilo aan, ook al is uw rug volledig hersteld. 

Algemene aandachtspunten bij bukken en tillen:
- Til rustig. 
- Til de last zo dicht mogelijk bij het lichaam. 
- Til niet boven schouderhoogte. 
- Vermijd een maximaal voorovergebogen houding van de romp. 
- Vermijd draaien en zijwaarts buigen van de romp. 
- Til met twee handen. 

Voorwerpen oppakken
Pak alleen met steun van een goed verankerd voorwerp iets op. Doe dit vanuit de benen met gestrekte rug. Let op dat u daarbij niet naar voren, zijwaarts of achteren reikt. Houd daarbij de schouders boven de heupen zodat uw rug recht blijft en houd de arm naast uw lichaam. Een last te ver van uw lichaam oppakken is slecht voor uw rug.

Huishouden
De eerste 4 tot 6 weken bent u nog niet klaar voor huishoudelijke activiteiten. Stofzuigen, bedden verschonen, dweilen, ramen lappen, laat 't allemaal aan anderen over. Na de herstelperiode kunt u weer rustig beginnen met lichte huishoudelijke activiteiten, maar met aandacht voor houding en bewegingen. Van uw fysiotherapeut leert u de juiste technieken om uw rug minder te belasten. 

Zwemmen
Na 4 tot 6 weken kunt u zelfstandig gaan zwemmen. Begin rustig en bouw geleidelijk op. Rugzwemmen is over het algemeen minder belastend dan borstzwemmen. Vlinderslag wordt afgeraden.

Sporten
Tot de eerste poliklinische controle bij de specialist mag u niet sporten. In het vervolgtraject van de revalidatie kunt u in overleg met de fysiotherapeut met sportactiviteiten beginnen. 

Werk
Tot de eerste poliklinische controle bij de specialist mag u niet werken. Bij de eerste controle, doorgaans 6 weken na de operatie, overlegt u met de specialist en de bedrijfsarts over wanneer en hoe u weer aan het werk kunt gaan.

Nek

Nekklachten algemeen

Nekpijn
Nekpijn is een van de meest voorkomende pijnklachten van het menselijk bewegings-apparaat. Alleen lage rugklachten komen vaker voor. Over de precieze oorzaak van nekklachten is nog weinig bekend. Wel is bekend dat er zeer zelden sprake is van een ernstige aandoening bij mensen met nekpijn. Nekpijn wordt meestal alleen in de nek zelf gevoeld, maar kan ook uitstralen naar het hoofd, de arm, de schouderbladen of richting de borst. Een vorm van nekpijn die ontstaat op basis van een trauma is whiplash. Nekklachten op basis van een whiplashtrauma valt buiten het bereik van deze folder. 

Het beloop van nekpijn
Over het beloop van nekpijn is nog weinig bekend. Binnen 7 weken is meer dan de helft (51,6%) van de mensen met nekpijn volledig klachtenvrij. Na 52 weken is 63,4% volledig hersteld. Slechts een heel klein deel (4-5%) van mensen met nekpijn kunnen hun werk en hobby’s niet meer uitvoeren door de nekpijn.

Hoe vaak komt nekpijn voor?
Rond de 70% van de bevolking krijgt ooit te maken met nekklachten. Op ieder willekeurig tijdstip heeft 20,6% van de volwassen Nederlandse bevolking te maken met nekklachten

Per jaar krijgt 14,6% van de Nederlandse bevolking te maken met een nieuwe episode van nekpijn. 80% van deze mensen heeft milde nekpijn en minder dan 5 procent wordt fors beperkt in zijn dagelijkse activiteiten. Het voorkomen van nekpijn stijgt met de leeftijd en is onder de Nederlandse bevolking het hoogst in de leeftijdsgroep 50-59 jaar. 

Risicofactoren
Er zijn verschillende factoren die de kans op het krijgen van nekklachten vergroten, of die de kans op het chronisch worden van nekklachten vergroten:
-        Vrouwen hebben significant meer kans op het krijgen van nekpijn
-        Onder handarbeiders en kantoormedewerkers komt nekpijn vaker voor.
-        Een eerdere periode van nekklachten de afgelopen 5 jaar.
-        Personen die vroeger een nektrauma hebben gehad (bijv. een auto-ongeluk of een klap tegen het hoofd).
-        Personen met psychische problemen

Er zijn factoren die het beloop ongunstig beïnvloeden:

-        Een hoge pijnintensiteit bij het begin van de klachten
-        Duur van de huidige klachtenperiode: hoe langer een klacht bestaat, hoe kleiner de kans is dat iemand volledig klachtenvrij wordt.
-        Een hoge werkdruk en weinig regelruimte op het werk, evenals een verminderde samenwerking tussen collega’s, lijken een rol te spelen bij het in stand houden van klachten.

Röntgenfoto’s waarop artrose te zien is wijzen niet op een slechtere prognose.Vaak wordt ten onrechte gedacht dat artrose in de nek of een versleten tussenwervelschijf meer kans geeft op het krijgen van nekklachten maar dit is onjuist. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat er geen relatie is tussen artrose in de nek en nekpijn. Het heeft dus geen zin om foto’s te laten maken van de nek indien er sprake is van een ‘normale’ nekpijn.

Blijf actief!
Het is belangrijk om lichamelijk actief te blijven en zo snel mogelijk de normale activiteiten weer te hervatten. Het natuurlijk beloop van nekpijn is gunstig, dat wil zeggen dat het vaak uit zichzelf weer overgaat. In meer dan 99% van de gevallen is er niets ernstigs met de nek aan de hand en bevordert het ‘normaal bewegen’ juist het herstel.


Fysiotherapie en manuele therapie kunnen het herstel van nekklachten bevorderen.

Voorlichting
De fysiotherapeut kan u uitleg geven over het klachtenbeeld en u vertellen hoe u het beste met de klachten om kunt gaan.

Oefentherapie
De fysiotherapeut kan u lichte nekoefeningen voorschrijven om de spierfunctie van de nekspieren te verbeteren en om de beweeglijkheid te bevorderen. Uit onderzoek is gebleken dat oefentherapie effectiever is dan rust en pijnstilling of informatie en een nekkraag.

Manuele therapie
Manipulatie en mobilisatie kunnen op korte termijn effectief zijn. Mat name een combinatie van manipulatie/mobilisatie en oefentherapie is effectief gebleken bij nekpijn.

Schouder

Peesaandoeningen schouder

Voor meer informatie over peesaandoeningen klik hier

Slijmbeursontsteking (bursitis)

Voor meer informatie over slijmbeursontsteking klik hier. 

Frozen Shoulder

Voor meer informatie over de frozen shoulder klik hier.

Impingement

Voor informatie over impingement klik hier

Instabiliteit

Voor meer informatie over instabiliteit klik hier. 

Fracturen (breuken)

Inleiding

Fracturen (breuk) van het schoudergewricht komen regelmatig voor, meestal ten gevolge van een val op de schouder.
Oudere mensen met botontkalking lopen het grootste risico op een breuk.  Een schouderbreuk komt twee keer vaker voor bij vrouwen.

Symptomen

- Pijn bij bewegen van de arm
- Zwelling ter plaatse van de breuk en later een blauwe plek rond de schouder

Diagnostiek

De diagnose wordt gesteld door middel van echografie en röntgenonderzoek.

Behandeling

In de meeste gevallen geneest de breuk door rust. Als er sprake is van een meer ingewikkelde breuk is een operatie nodig. Met plaatjes en schroeven worden de botdelen dan aan elkaar gezet. Soms (met name bij oudere mensen) wordt gekozen om een schouderprothese te plaatsen.

De conservatieve (niet operatieve) behandeling bestaat uit:
- Rust: 4 tot 6 weken in een mitella waarbij wel oefeningen worden gedaan om de schouder soepel te houden
- Fysiotherapie: na ongeveer 4 weken mag er meer geoefend worden met de schouder. De therapie is gericht op verbetering van beweeglijkheid en spierfunctie van de schoudergordel.

Na een operatie is de behandeling vergelijkbaar met de conservatieve behandeling.

In normale gevallen herstelt de fractuur in 8 weken. Vaak is de schouderfunctie (beweeglijkheid, spierkracht) dan nog niet volledig hersteld. 

Voor meer informatie over breuken klik hier.

Aandoeningen sleutelbeen: breuken, ontwrichting

Voor meer informatie over aandoeningen van het sleutelbeen klik hier. 

TOC klachten

Voor TOC klachten klik hier.

Regionale schouderproblematiek

Voor meer informatie over regionale schouderproblematiek klik hier.

Rotator cuff letsel (peesletsel)

Inleiding

Een verkalking kan ontstaan in de pezen van de rotator cuff (rotatorenmanchet). Die vier pezen vormen samen één groot peesblad dat vastzit aan de schouderkop. Ze zijn de uitlopers van vier spieren die vertrekken van het schouderblad.

Ook kunnen er scheuren in de pezen ontstaan. Deze kunnen geleidelijk ontstaan tijdens het ouder worden (meestal boven de leeftijd van 50-60 jaar) of plotseling door een trauma.

Symptomen

De klachten passend bij een scheur en/of verkalking in deze pezen lijken sterk op impingementklachten (inklemmingsklachten) doordat er een verstoring van het bewegingspatroon optreedt. De klachten bestaan uit:

- Pijn die u 's nachts uit de slaap kan houden
- Pijn die verergert bij bewegen (met name heffen) van de arm.
- Vaak is er uitstraling naar de nek en/of de bovenarm.
- Werkzaamheden boven het hoofd verergeren de klachten.
- Bij een grote scheur van één of meerdere pezen is er mogelijk krachtsverlies.

Diagnostiek

Een scheur of verkalking kan op grond van uw verhaal of bij lichamelijk onderzoek vermoed worden. Een Echo, CT of MRI kan de diagnose bevestigen.

Behandeling

Een gescheurde pees geneest niet vanzelf. De behandeling kan zonder of met een operatie gebeuren. Meestal opereert men pas als de niet-operatieve behandeling niet helpt.

Een verkalking wordt in de meeste gevallen niet operatief behandeld. De behandeling bestaat uit:

- Rust. Vermijd tijdelijk de bewegingen die pijn uitlokken
- Fysiotherapie. Eerst om je schouder soepel te houden en later spierversterkende oefeningen.
- Shockwave. Dit is een behandeling met geluidsgolven die de doorbloeding lokaal in de pees    stimuleert.
- Cortisonen injectie.

Een gedeeltelijke scheur in de pees wordt meestal niet-operatief behandeld terwijl een volledige scheur vaak een indicatie is voor een operatie. Hierbij wordt de pees vastgehecht op de schouderkop.

Niet operatieve behandelvormen bestaan uit rust, fysiotherapie en eventueel een cortisonen injectie.

SLAP laesie (labrum letsel= letsel van kraakbenige rand kom)

Inleiding

De schouder bestaat uit drie botstukken. Het schouderblad, de bovenarm en het sleutelbeen. Een gedeelte van het schouderblad, het glenoïd genaamd, vormt de kom van de schouder. Het glenoïd is ondiep en plat. Het labrum is een rand van zacht materiaal die de kom uitdiept.

Het zachte materiaal van het labrum kan klem komen te zitten tussen het glenoïd en de kop van de bovenarm. Wanneer dit gebeurt, kan het labrumweefsel gaan scheuren.

Symptomen

Het belangrijkste symptoom bij een labrum scheur is een scherp gevoel van uit de kom schieten of klem zitten bij bepaalde bewegingen van de schouder.

De belangrijkste symptomen zijn:
-  Pijn, meestal bij bewegingen boven het hoofd en geeft een klemmend of knarsend gevoel
-  Soms nachtelijke pijn of pijn gedurende dagelijkse activiteiten
-  Een gevoel van instabiliteit in de schouder
-  Verminderde bewegingsuitslagen
-  Krachtsverlies

Diagnostiek

De diagnose kan op grond van anamnese en lichamelijk onderzoek vermoed worden. Alleen een MRI scan mét contrast in de schouder kan het letsel aantonen.

Behandeling

Fysiotherapie: Door intensieve behandel- en oefenmethodes kunnen de klachten sterk verbeteren. Bijvoorbeeld door oefentherapie, waarbij heel gericht op kracht in de schouder wordt getraind.

Bij een kijkoperatie wordt het gescheurde labrum teruggehecht. Vervolgens vindt revalidatie bij een fysiotherapeut plaats.

Luxatie (uit de kom)

Inleiding

Het schoudergewricht is het meest instabiele gewricht van het lichaam. Bij een val of een plotselinge krachtige beweging kan de schouder uit de kom gaan (ontwrichting of luxatie genoemd).

Symptomen

- Erge plotse pijn in de arm en tot in de schouder.
- Je kunt de arm niet meer bewegen uit de positie waarin hij nu vastzit.
- De bol duwt tegen de huid, waardoor je schouder er abnormaal recht en hoekig uitziet.

Diagnostiek

Eerst wordt een foto van de schouder gemaakt, om te controleren of er behalve een ontwrichting niet ook een botbreuk is. Dan wordt je schouder terug op zijn plaats gezet, al dan niet onder verdoving. Daarvoor bestaan verschillende manipulatietechnieken.
Vervolgens wordt een controlefoto gemaakt.
Zo nodig wordt een arthro-CT-scan gemaakt. Dat is een combinatie van een röntgenonderzoek met contraststof, en een CT-scan. Op zo’n scan is duidelijker zichtbaar welke schade er is aangericht en wat verder moet gebeuren. Je krijgt geneesmiddelen tegen de pijn. Je krijgt een draagdoek om, zodat je schouder kan rusten

Behandeling

Niet-operatief:
Ben je jong en is het je eerste schouderontwrichting, dan kan een sling die enkele dagen je pijnlijke schouder ondersteunt genoeg zijn.

Je volgt fysiotherapie om je schouderspieren te verstevigen zodat het niet opnieuw gebeurt.

Met operatie:
Een operatie is beter als:
- Je schouder enkele maanden later nog altijd onstabiel aanvoelt doordat de bol te los in de kom zit.
- Je schouder al verschillende keren uit de kom gegaan is.

Prothese (kunstschouder)

Inleiding

Schouder arthrose is een vaak voorkomende aandoening waar ongeveer 20% van de oudere bevolking mee te maken heeft. Dit wordt veroorzaakt door beschadiging van het kraakbeen dat het bot bedekt in het schouder gewricht, waardoor bot-op-bot contact bestaat

Naast artrose zijn er meerdere aandoeningen om voor een schouderprothese te kiezen:
- Artrose (slijtage)
- Reuma (reumatoïde artritis)
- Fracturen
- Onherstelbare scheuren van de rotatorenmanchet (schouderspieren)

Symptomen

De symptomen die naar voren komen zijn:
- Schouderpijn zal in begin met regelmaat terugkeren, maar kan in de loop van de jaren constant aanwezig zijn
- Schouderbewegingen veroorzaken meestal meer pijn
- Nachtelijke pijn
- Verminderde beweeglijkheid van de schouder is een ander veel voorkomend symptoom.
andere symptomen zijn crepiteren (kraken), atrofie (spierafname) en zwelling.

Diagnostiek

Aan de hand van de ziektegeschiedenis en een grondig lichamelijk onderzoek kan de diagnose van schouder artrose vermoed worden. Een röntgenfoto van de schouder zal de diagnose bevestigen

Andere beeldvormende technieken om de diagnose te stellen zijn :
- CT scan: vooral nuttig om de mate van botverlies aan te tonen
- MRI scan: dit is geen standaard onderzoek om schouder artrose vast te stellen, maar geeft een gedetallieerd beeld van de weke delen (spieren, pezen, gewrichtskapsel) rond het gewricht

Behandeling

Er kunnen verschillende operaties worden uitgevoerd. De operatie die uitgevoerd wordt is afhankelijk van de conditie van het bot, de beweeglijkheid en de conditie van de pezen en spieren.

De dag na de operatie begint u onder leiding van de fysiotherapie aan een intensieve periode van oefenen. De fysiotherapeut komt twee tot vier keer per dag met u oefenen. Ook krijgt u een oefenschema.

Patiëntinformatie revalidatie na schouderoperatie

Hieronder vindt u informatie en voorlichting over revalidatie na een schouderoperatie door erop te klikken. 

Elleboog

Tenniselleboog

Een tenniselleboog (medische naam: epicondylitis lateralis) is een veel voorkomende onsteking of irritatie van de aanhechtingsplaats van pezen aan de buitenste elleboogknobbel. Klachten die daarbij optreden zijn pijn aan de buitenzijde van de elleboog, soms uitstralend naar de onderarm en pols. De pijnklachten treden op wanneer de strekspieren van de pols en hand worden aangespannen, bijvoorbeeld als men iets met de hand op wil pakken.

Het is een hinderlijke aandoening, waar men een tijd flink last van kan hebben, soms wel enkele maanden. Toch gaat deze aandoening meestal vanzelf weer over.

De Tenniselleboog oftewel epicondylitis valt onder CANS, dit staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or shoulder oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder. Dit is een omschrijving van een klachtencomplex die door veel zorgverleners wordt gehanteerd. 

Waardoor kan het komen?
Het ontstaan van een tenniselleboog hoeft niet door tennissen te komen, dat is maar bij 1 op de 20 mensen zo. Op de een of andere manier zijn de strekspieren overmatig of verkeerd belast geraakt. Daardoor ontstaat een irritatie bij de aanhechting van de spieren aan de buitenzijde van de elleboog.

Hoe wordt het vastgesteld?
De arts zal bewegingen uitlokken die de pezen belasten en pijn veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld door de pols met weerstand te laten strekken. Voor het stellen van de diagnose is meestal geen nader onderzoek nodig. De arts kan, afhankelijk van de bevindingen, een enkele keer een röntgenfoto laten maken van de nek, de schouder (om andere aandoeningen uit te sluiten) of de elleboog. Ook kan de arts er voor kiezen de elleboog aanvullend te onderzoeken met bijvoorbeeld echografie.



Wat kan helpen?
Er zijn veel behandelingen die worden toegepast voor een tenniselleboog. Een bepaalde methode heeft bij de ene patiënt wel en bij een andere patiënt geen resultaat.

De eenvoudigste behandeling is zelf overmatige of verkeerde belasting en daarmee pijn te voorkomen.

Medicijnen
Ontstekingsremmende pijnstillers in de vorm van gel of crème zijn volgens de wetenschap op korte termijn waarschijnlijk effectief in het verminderen van de pijn. Het slikken van ontstekingsremmende pijnstillers lijkt minder zinvol.

Injecties
Het is onduidelijk of een injectie met corticosteroïden helpt. Een injectie met verdovingsvloeistof helpt waarschijnlijk niet.

Andere behandelingen
Extracorporale shock wave therapie (ESWT) helpt waarschijnlijk niet.

Van de volgende behandelingen is nog onduidelijk of nog niet onderzocht of ze helpen:
acupunctuur, het dragen van een brace, ultrageluid therapie, oefentherapie en manuele therapie. Er zijn aanwijzingen dat een brace zou kunnen helpen als die ervoor zorgt dat de pols en hand steeds in een ruststand terugkeren.

Naar het nut van een operatie in vergelijking met conservatieve behandelingen is nog geen onderzoek gedaan.

De arts zal in overleg met de patiënt een behandelingsplan opstellen dat het best aansluit op de klachten.


Wie kan helpen?
De huisarts is degene die de meeste klachten behandelt. In geval van een chirurgische ingreep krijgt men te maken met een algemeen of orthopedisch chirurg. Daarnaast kan ook een fysiotherapeut bij de behandeling betrokken zijn. 


Online bronnen: Kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat; Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)

Golferselleboog

Golferselleboog ofwel : Epicondylitis medialis 

Een golferselleboog (medische naam epicondylitis medialis) is een ontsteking of irritatie van de aanhechtingsplaats van pezen aan de binnenzijde van het ellebooggewricht.

Er is meestal sprake van pijnklachten aan de binnenzijde van de elleboog. Soms gaat dit samen met een tintelend gevoel ter hoogte van de pink en ringvinger. De pijnklachten treden op als de buigers van de polsen en de hand worden aangespannen.

De golferselleboog is een hinderlijke aandoening waar men een tijd last van kan hebben, soms wel enkele maanden. Toch gaat deze aandoening meestal vanzelf weer over.

De golferselleboog oftwel epicondylitis medialis valt onder CANS, dit staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or shoulder, oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder. Dit is een omschrijving van een klachencomplex die door veel zorgverleners wordt gehanteerd.

Waardoor kan het komen?
Het ontstaan van een golferselleboog hoeft niet alleen door de sport golven te komen. De buigspieren zijn overmatig of verkeerd belast, bijvoorbeeld door het uitvoeren van zwaar belastende werkzaamheden of door werkzaamheden waarbij men steeds dezelfde bewegingen maakt (handenarbeid, schilderen, typen).
Daardoor ontstaat een irritatie bij de aanhechting van de spieren aan de binnenkant van de elleboog.

Hoe wordt het vastgesteld?
Bij epicondylitis medialis is er sprake van pijn aan de binnenzijde van het ellebooggewricht. Dit is meestal de regio waar de ontstoken pezen aan het bot hechten.
De arts/fysiotherapeut zal bewegingen uitlokken die de pezen belasten en pijn veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld door de pols met weerstand te laten buigen. Voor het stellen van de diagnose is meestal geen nader onderzoek nodig. De arts kan, afhankelijk van de bevindingen, een enkele keer een röntgenfoto laten maken van de nek, de schouder (om andere aandoeningen uit te sluiten) of de elleboog.  

Wat kan helpen?
Er zijn verschillende behandelingen die worden toegepast bij een golferselleboog. De ene methode heeft bij de ene patiënt wel en bij de andere patiënt geen resultaat.

De eenvoudigste behandeling is om zelf overmatige of verkeerde belasting, en daarmee pijn, te voorkomen.

Medicijnen
Ontstekingsremmende pijnstillers in de vorm van gel of crème zijn volgens de wetenschap op korte termijn waarschijnlijk effectief in het verminderen van de pijn. Het slikken van ontstekingsremmende pijnstillers lijkt minder zinvol.

Injecties
Het is onduidelijk of een injectie met corticosteroïden helpt. Een injectie met verdovingsvloeistof helpt waarschijnlijk niet.

Fysiotherapie
Door middel van fysiotherapie.  

Operatie
Als de klachten aanhouden, kan een operatie overwogen worden maar het is nog niet voldoende bewezen dat dit daadwerkelijk helpt.

Wie kan helpen?
De huisarts is in eerste instantie bij de behandeling betrokken. Daarnaast kan een fysiotherapeut bij de behandeling betrokken zijn. In geval van een operatie, krijgt men te maken met een orthopedisch chirurg. 

  
Bronnen: Orthopedie- prof. dr. J.A.N. Verhaar, prof. dr. A.J. van der Linden
Online bronnen: Vlaamse vereniging van de elleboog- en schouderchirurgen

Slijmbeursontsteking / Bursitis olecrani

Bursitis olecrani (Slijmbeursontsteking rond de elleboog)

In het lichaam zitten op diverse plaatsen slijmbeurzen (bursa) die ervoor zorgen dat botten, spieren en pezen soepel langs en over elkaar heen kunnen bewegen en niet tegen elkaar aan schuren. Ook zorgen deze bursa ervoor dat uitstekende botstukken beschermd worden.
Ook achter de elleboog loopt een slijmbeurs; de bursa olecrani.
Als deze ontstoken is, spreekt men van een bursitis olecrani. Hierdoor ontstaat pijn en kan men zich beperkt voelen in het bewegen. Met name druk op de slijmbeurs is pijnlijk. De huid boven de slijmbeurs kan ook rood verkleurd zijn en wat warmer aanvoelen.

Een slijmbeursontsteking rond de elleboog wordt ook wel ‘studentenelleboog’ genoemd. Dit omdat studenten tijdens het leren vaak op de ellebogen steunen waardoor er druk op de bursa ontstaat.

Bij een bacteriële slijmbeursontsteking (die dus wordt veroorzaakt door een infectie) kan meer roodheid en koorts optreden. Meestal is er dan weefselschade geweest waardoor de bacterie in de bursa kon komen.

Bursitiden rond de elleboog vallen onder CANS, dat staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or shoulder’ oftewel klachten aan de arm, nek en/of schouder. Dit is een omschrijving van een klachtencomplex die door veel zorgverleners wordt gehanteerd.

Waardoor kan het komen?
Een bursitis kan ontstaan door teveel druk op de slijmbeurs, overbelasting van een gewricht, een val of een infectie. Als gevolg hiervan zwelt de slijmbeurs op.

Hoe wordt het vastgesteld?
Een bursitis rond de elleboog kan door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek worden vastgesteld.

Wat kan helpen?
Een bursitis of slijmbeursontsteking verdwijnt meestal met rust, gedoseerde bewegingen en door het vermijden van overbelasting van het gewricht.

Medicijnen kunnen helpen de ontsteking te remmen. Ook kan een injectie met corticosteroïden gegeven worden (niet bij een bacteriële ontsteking).

Als herstel uitblijft, moet het gewricht onderzocht worden op verdere afwijkingen en is doorverwijzing naar een chirurg raadzaam. In ernstige gevallen kan de slijmbeurs operatief verwijderd worden.

Wie kan helpen?
In eerste instantie komt men met een slijmbeursontsteking van de elleboog bij de huisarts terecht.

Een fysiotherapeut kan advies geven over hoe men het beste kan bewegen en overbelasting kan vermijden. Als de klachten aanhouden of ernstig zijn, zal de huisarts doorverwijzen naar een orthopedisch chirurg.

Ermee leven
Deze aandoening is ook bekend als ‘studentenelleboog’. Studenten steunen tijdens het leren met de elleboog op tafel waardoor er druk komt te staan op de slijmbeurs. Probeer dus niet teveel op de ellebogen te leunen als dit klachten geeft. 

 
Bronnen: Orthopedie - prof. dr. J.A.N. Verhaar, A.J. van der Linden
Online bronnen: Gezondheidsplein.nl

Instabiliteit van de elleboog

Doorsnede van het linker ellebooggewricht Er zijn drie botstukken die ervoor zorgen dat de elleboog kan bewegen: de bovenarm (humerus), in de onderarm de ellepijp (ulna) en het spaakbeen (radius).

Het gewricht tussen de bovenarm en de ellepijp zorgt ervoor dat de elleboog kan buigen en strekken. Het gewricht tussen de ellepijp en het spaakbeen zorgt ervoor dat de onderarm kan draaien. Door omliggende spieren, banden en pezen blijft de elleboog stabiel.

Bij een instabiele elleboog is er sprake van teveel bewegingsruimte in het gewricht. Het kopje van het spaakbeen zit niet goed op zijn plek en kan uit de kom raken. Dit kan pijn en onzekerheid bij bewegen veroorzaken. Als men bijvoorbeeld op de arm steunt, kan de elleboog ‘doorzakken’.

Deze aandoening is ook wel bekend als het ‘zondagmiddag- of meesleurarmpje’. Ouders tillen hun kleine kinderen hierbij teveel op aan hun armen. Bij deze klachten gebruikt het kind de arm niet, en houdt het de arm licht gebogen. Verder is er sprake van pijn.

Instabiliteit van de elleboog valt onder CANS, dit staat voor ‘complaints of the arm, neck and/or shoulder’ oftewel klachten van de arm, nek en/of schouder. Dit is een omschrijving van een klachtencomplex die door veel zorgverleners wordt gehanteerd.

Waardoor kan het komen?
Instabiliteit van de elleboog ontstaat door een te grote bewegingsruimte in het gewricht. Dit kan komen wanneer iemand relatief slappe banden en pezen heeft.

Instabiliteit van de elleboog kan ook veroorzaakt zijn door een te grote beweeglijkheid als gevolg van een direct trauma zoals een val.

Hoe wordt het vastgesteld?
De arts kan door middel van anamnese en lichamelijk onderzoek vaststellen dat het om instabiliteit van de elleboog gaat. Met een röntgenfoto kan de diagnose bevestigd worden.

Door middel van een MRI scan kan worden nagegaan of de omliggende banden zijn beschadigd.

Wat kan helpen?
Fysiotherapie kan helpen om de omliggende spieren te versterken zodat de elleboog beter gaat functioneren.

Als het spaakbeen niet meer op de plek zit, moet dit worden teruggezet. Dit noemt men repositie. Dit kan zeer pijnlijk zijn en daarom kan de arts eerst pijnstillers en spierverslappers geven.

Soms blijkt er ook een scheurtje in het te bot zitten. In dat geval moet er gips worden aangebracht rond de elleboog.

Soms is de luxatie zo ernstig dat een operatie nodig is om de schade aan het kraakbeen en de banden te herstellen. Als de schade niet hersteld wordt, is er een verhoogde kans dat er artrose ontstaat in het ellebooggewricht.

Wie kan helpen?
De fysiotherapeut kan bewegingsadvies en oefeninen geven om de spieren te versterken, ook na een eventuele operatie.

Als er sprake is van een operatie, wordt dit gedaan door een orthopedisch chirurg.

Ermee leven
Mensen met een instabiele elleboog kunnen last hebben van bewegingsangst. Ze zijn bang dat door te bewegen, de klachten verergeren. Het is belangrijk om deze angst te overwinnen. Een fysio- of manueel therapeut kan hierbij helpe

Online bronnen: American Academy of Orthopaedic Surgeons

Pols en hand

Informatie over handtherapie in onze praktijk vindt u hier.

Artrose duim

Slijtage van de duimbasis ontstaat vaak als gevolg van instabiliteit van de duim.
Er kan sprake zijn van bewegingsbeperkingen en pijn. De pijn neemt o.a. toe bij knijpen, een pot open draaien, sleutels omdraaien en schrijven.

Conservatieve behandeling:
Therapie onder begeleiding van de handfysiotherapeut:
• Aanmeten van een rustspalk.
• Leefregels en adviezen over belasting.
• Stabiliserende oefeningen voor de duim.
Ontstekingsremmende injectie (corticosteroid) door een arts en evt. pijnstillers.

De conservatieve behandeling duurt 4-6 weken. Indien dit te weinig resultaat heeft kan een operatie overwogen worden.

Operatieve behandeling:
Operatief zijn diverse ingrepen mogelijk die door uw behandelend arts uitgelegd zullen worden.
Het herstel duurt tussen 8 weken en 6 maanden.

Pre-operatief:
De handtherapeut meet uw kracht, beweeglijkheid en pijn.

Post-operatief:
Afhankelijk van de ingreep krijgt u gedurende 3 dagen een drukverband en draagt u tijdelijk een mitella om toename van zwelling te voorkomen. Tevens wordt er een afneembare spalk aangemeten.

Oefentherapie onder begeleiding van de handtherapeut:
• Aanmeten van een rustspalk. De spalk wordt overdag langzaam afgebouwd. Gedurende 3 maanden moet de spalk nog ’s nachts worden gedragen.
• Oefentherapie en adviezen ter vermindering van zwelling.
• Oefeningen om de pezen te laten glijden zodat er geen verklevingen ontstaan en om de overige vingers soepel te houden.
• Stabilisatieoefeningen voor de duim
• Advisering over de belastbaarheid en integreren van de hand bij dagelijkse activiteiten.

Carpaal Tunnel Syndroom (CTS)

Indien u last heeft van tintelende vingers, een doof gevoel in de hand en/of vermindering van de knijpkracht in de hand dan zou er sprake kunnen zijn van een carpaal tunnel syndroom (CTS).
Een CTS is een beknelling van de zenuw die kan ontstaan door o.a. zwelling, een ontsteking, reuma, slijtage en overbelasting van de hand of pols.

Risicofactoren zijn: vaak herhaalde bewegingen (zoals werken aan de computer of appen), leveren van veel kracht, langdurige trillingen of werken met een ongunstige polshouding. Ook tijdens een zwangerschap is de kans op het krijgen van een CTS groter.

Conservatieve behandeling:
Het kan zijn dat u of uw arts de voorkeur geeft aan een conservatieve behandeling. Bijvoorbeeld omdat uw klacht van tijdelijke aard is zoals tijdens een zwangerschap of een tijdelijke overbelasting.
De behandeling kan bestaan uit:
1 Injectie van corticosteroïd/ NSAID’s door een arts
2 Handfysiotherapie:
• Adviezen met betrekking tot het aanpassen van uw houding en bewegingen zodat de klachten verminderen.
• Oefeningen zoals zenuw glij oefeningen.
• Spalktherapie: Bij voorkeur starten met continu dragen van een spalk maar ten minste ’s nachts. De spalk moet minimaal 2 weken worden gedragen. Indien er na 6 weken geen effect is wordt het dragen van een spalk gestopt.


Operatieve behandeling:
Bij een operatie van een CTS wordt ruimte gemaakt zodat de druk op de zenuw verdwijnt.
Na de operatie:
• Krijgt u een drukverband voor 3 dagen.
• Mag u 3 weken niet zwaar tillen.
• Kan uw werk hervat worden na 2-4 weken, afhankelijk van het soort werk dat u doet.

Postoperatieve therapie onder begeleiding van de handtherapeut:
• Oefentherapie en adviezen ter verminderen van zwelling
• Oefentherapie om de pezen en zenuwen te laten glijden zodat er geen verklevingen ontstaan.
• Stabilisatieoefeningen voor de pols
• Advies over de belastbaarheid en integreren van de hand bij dagelijkse activiteiten.

Dupuytren

Dupuytren is een genetische aandoening waarbij bindweefsel vermeerdert en strengen en knobbels vormt in de hand. De strengen kunnen zich verkorten en kromme stand van de vingers veroorzaken.
Het is belangrijk om de hand zo lang mogelijk functioneel te houden en een onomkeerbare kromme stand te voorkomen.

Operatieve behandeling
1. Naaldfasciectomie waarbij de strengen middels een klein sneetje doorgesneden worden.
2. Partiële fasciectomie waarbij de strengen zo volledig mogelijk verwijderd worden.
3. Dermo fasciectomie waarbij de huid en strengen verwijderd worden en donorhuid op de hand gelegd wordt.

Post-operatieve therapie onder begeleiding van de handtherapeut:
• Oefentherapie en adviezen ter verminderen van zwelling
• Oefeningen om de pezen en zenuwen te laten glijden zodat er geen verklevingen ontstaan en om de mobiliteit te behouden.
• In enkele gevallen wordt een spalk aangemeten die gedurende 3 maanden
’s nachts gedragen wordt.
• Littekenmassage, alleen indien nodig.

Ganglion

Een ganglion is een goedaardige zwelling in de pols, gevuld met vloeistof. Dit kan pijn en bewegingsbeperkingen veroorzaken. Tevens kan zwakte in de vingerspieren ontstaan en soms tintelingen door druk op de zenuw.
Een ganglion kan verkleinen door rust en vergroten door belasting. Soms verdwijnt een ganglion spontaan of barst kapot.

Niet operatieve behandeling
Met een naald kan het ganglion leeggezogen worden.

Operatieve behandeling
Via een klein sneetje in de huid wordt het ganglion volledig verwijderd.

Oefentherapie onder begeleiding van de handtherapeut:
• Oefentherapie en adviezen ter vermindering van zwelling
• Oefeningen om de pezen en zenuwen te laten glijden zodat er geen verklevingen ontstaan en oefeningen om de vingers soepel te houden.
• Littekenmassage

Mallet vinger

Een mallet finger ontstaat vaak door het stoten van een vinger tegen een bal of tijdens het opmaken van een bed. De strekpees die het vingertopje strekt, scheurt waardoor de top gaat hangen en niet meer gestrekt kan worden zonder hulp.

Conservatieve behandeling:

Er wordt een spalk aangemeten waarbij de top in overstrekte stand staat. De spalk moet gedurende 6-8 weken continu gedragen worden zonder dat de top één keer kan buigen. De peesuiteinden kunnen op die manier weer aan elkaar groeien.

Het schoonmaken van de spalk dient voorzichtig te gebeuren omdat de vingertop niet gebogen mag worden. Hierbij wordt u geholpen door een handfysiotherapeut.

Na de spalkperiode mag voorzichtig gestart worden met het actief strekken van de vinger. De spalk mag 3 tot 6 keer per dag af tijdens het oefenen. Tussen de oefeningen door moet de spalk weer gedragen worden.

Na de oefenperiode mag de spalk af en worden de oefeningen worden verder opgebouwd. Tot 12 weken na start van de behandeling is het verstandig om het spalkje te dragen tijdens zware arbeid.
Indien de vingertop weer gaat hangen tijdens de oefenperiode kan het advies gegeven worden om de spalk weer 4 weken continu te dragen.

Operatieve behandeling
Wanneer het topje weer gaat hangen kan een operatie waarbij de peesuiteinden aan elkaar gehecht worden noodzakelijk zijn. Na de operatie volgt eveneens een periode van revalidatie die begeleidt wordt door een handfysiotherapeut.

Triggerfinger

Een triggerfinger of hokkende vinger ontstaat door een ontsteking van een van de buigpezen van de vingers of duim. Daardoor kan de vinger alleen met moeite gestrekt en/of gebogen worden en komt dan met een schokje recht. Soms zit er een pijnlijke verdikking aan de basis van de vinger.
Een triggerfinger kan ontstaan na zware inspanning of veelvuldig herhaald buigen van de vingers zoals tijdens snoeien.

Conservatieve behandeling

Advies en behandeling door een handtherapeut bestaat uit:
• Adviezen zoals het mijden van de handeling die de triggerfinger heeft veroorzaakt.
• Aanmeten van een spalk waardoor de ontsteking rust krijgt. Een triggerfinger die langer dan een half jaar bestaat verdwijnt niet met behulp van een spalk.

Injectie van corticosteroïden door een arts. Het resultaat is na enkele dagen merkbaar en na een half jaar is het maximale resultaat bereikt.

Operatieve behandeling

Tijdens de operatie wordt het tunneltje waar de buigpees onderdoor loopt opengemaakt waardoor de pees niet meer blijft hangen (hokken) en weer vrij kan bewegen.
Na de operatie krijgt u een drukverband voor 3 dagen en moet de hand zoveel mogelijk hoog gehouden worden om zwelling te voorkomen. De hand mag gebruikt worden bij lichte activiteiten.
Indien herstel achter blijft wordt u verwezen naar een handfysiotherapeut.

Oefentherapie onder begeleiding van de handtherapeut:
• Oefentherapie en adviezen ter vermindering van zwelling
• Oefeningen om de pezen en zenuwen te laten glijden zodat er geen verklevingen ontstaan en de vingers soepel te houden.
• Littekenmassage

Heup

Artrose heup

Wat is artrose?
Een gewricht bestaat uit twee botuiteinden die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. De uiteinden van het bot zijn omgeven met kraakbeen. Dit kraakbeen heeft een schok-dempende werking en het zorgt ervoor dat de botuiteinden gemakkelijk ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Het gewrichtskapel en de gewrichtsbanden houden de botuiteinden bij elkaar. De binnenkant van het kapsel is bekleed met een slijmvlieslaagje. Dit maakt gewrichtsvocht aan, zodat het gewricht gesmeerd wordt. De gewrichtsbanden en de spieren zorgen voor de stevigheid van het gewricht.

Bij artrose is het gewrichtskraakbeen aangetast. Het kraakbeen gaat in kwaliteit achteruit, het wordt zacht en ruwer aan de oppervlakte. Het gewricht kan de schokken van een beweging hierdoor minder goed opvangen en bewegen de botuiteinden minder soepel. Hierdoor komt er meer kracht op de botten waardoor de belasting groter is op de botten. Het bot probeert dit op te vangen door breder te worden, er ontstaan uitsteeksels aan de rand van het bot. Door de afname van het kraakbeen en het breder worden van het bot, kan het bot een andere stand krijgen of misvormd raken. Slijtage is een natuurlijk proces. Maar bij artrose is er sprake van een complex van degeneratieve veranderingen (slijtage) aan een gewricht, dat gepaard gaat met een buitensporige slijtage, gezien de leeftijd . ( “op de röntgenfoto lijk je veel ouder dan je werkelijk bent”)

 

Het beloop van artrose
Artrose kent een wisselend beloop. In het beginstadium treden de pijnklachten maar enkele keren per jaar op. In een later stadium kan er sprake zijn van meer stijfheid, een verminderde spierkracht en staat de pijn wat meer op de voorgrond. Benadrukt moet worden dat in veel gevallen de artrose geen pijnklachten geeft en mensen zonder problemen functioneren. Slechts in een klein aantal gevallen zorgt de artrose voor voortdurende pijn en grote beperkingen in de dagelijkse activiteiten

Hoe vaak komt artrose voor?
Artrose is de meest voorkomende gewrichtsaandoening en komt 2 maal zoveel voor bij vrouwen dan bij mannen. Op basis van bevolkingsonderzoek is de schatting dat artrose van de heup in 2000 bij ongeveer 257.400 personen boven de 55 jaar voorkwam (71.100 mannen en 186.300 vrouwen). Artrose van de knie kwam voor bij ongeveer 335.700 personen boven de 55 jaar (72.900 mannen en 262.800 vrouwen). 

Factoren die een rol spelen bij het ontstaan van artrose
Helaas weten we niet waardoor het gewrichtskraakbeen van structuur verandert. Factoren als spierzwakte, overgewicht, overmatige beweeglijkheid van gewrichten en erfelijke aanleg spelen een rol bij het ontstaan van artrose. De mate waarin artrose voorkomt wordt mogelijk negatief beïnvloed door het toegenomen overgewicht in de bevolking. Daarnaast wordt de mens tegenwoordig steeds ouder.

 Adviezen
-        Beweeg regelmatig maar wel gedoseerd. Rust roest
-        Rust op  tijd uit. Luister naar uw lichaam en geef gewrichten voldoende rust zeker als de                      gewrichten warm, pijnlijk of gezwollen zijn.
-        Let op uw houding. Probeer regelmatig van houding te veranderen (voorkom stijfheid)
-        Vermijd zware belasting. Met name bij heup- en knieklachten moet u zware belasting als                      traplopen, hurken, knielen en kruipen vermijden.
-        Voorkom overgewicht. Extra gewicht betekent extra belasting voor uw gewricht.
-        Drink voldoende water. Om uw kraakbeen in goede conditie te houden moet er voldoende                    gewrichtsvloeistof aanwezig zijn.
-        Eet gezond, gevarieerd en regelmatig.

Wat kan fysiotherapie voor u betekenen?
De fysiotherapeut zal bij het onderzoek een inschatting maken welke factoren een rol spelen bij het artroseproces en hoe de patiënt hiermee omgaat. De behandeling bestaat uit het oefenen van bewegingen en functies van het gewricht, verbeteren van spierkracht en conditie, trainen van het algemeen uithoudingsvermogen, adviezen t.a.v. werk- en sportbelasting. Daarnaast speelt de fysiotherapeut een belangrijke rol na gewrichts-vervangende operatie, zoals een heupprothese of knieprothese. 

Knie, onderbeen, enkel

Patello-femorale klachten (knieschijf)

Wat zijn patello-femorale klachten?
Pijn aan de voorzijde van de knie, ook wel ‘anteriore knie pijn’ of patello-femorale pijn genoemd, is een klacht waar geen duidelijke oorzaak voor aan te geven is. Er is veel geschreven en er is veel onderzoek gedaan naar deze vorm van kniepijn, maar nog steeds is niet duidelijk waar de pijn precies vandaan komt.

In de literatuur worden 3 factoren genoemd die mogelijk bijdragen aan het onstaan van patello-femorale klachten:

  1. afwijkende stand van het been/knieschijf (platvoet, x-been)
  2. verstoorde balans tussen de spieren van het been (spierzwakte, spierverkorting)
  3. overbelasting

Overbelasting wil zeggen dat de belasting op het gewricht hoger is dan de belastbaarheid. Als belasting en belastbaarheid niet in evenwicht zijn, kan dit aanleiding geven tot pijnklachten..
De klachten treden meestal op tijdens of na fysieke inspanning, traplopen, lang zitten met gebogen knieën, hurken etc.
Factoren die mogelijk bijdragen aan het ontstaan van patello-femorale klachten staan beschreven onder het kopje ‘risicofactoren’.

Het beloop van patello-femorale klachten
De klacht verbetert geleidelijk naarmate de tijd vordert, maar bij de meeste mensen (+/-70% van de gevallen) blijven er toch wat restklachten bestaan.
Ongeveer 8% blijft ernstige klachten houden, zelfs na vele jaren. 

Hoe vaak komen patello-femorale klachten voor?
Patello-femorale klachten komen 2 tot 3 keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.  Deze klachten komen veel voor bij jonge volwassen/adolescenten die fysiek actief zijn. 
Bij kinderen tussen de 10 en 19 jaar heeft 3,3% last van patello-femorale klachten. Onder 15 jarigen is dit zelfs 10% 

Risicofactoren
Er zijn bepaalde factoren die de kans op het krijgen van patello-femorale klachten kunnen verhogen:
-        vrouwen maken meer kans op het krijgen van patello-femorale klachten.
-        knie anatomie: een veranderde stand van patella of de patella ‘spoort’ niet (hij loopt niet mooi   recht door de groeve)
-        gewrichtslaxiteit: een te grote beweeglijkheid van de knieschijf.
-        verstoorde spierbalans: verkorte spieren aan de voorzijde van het bovenbeen, verminderde kracht   van de spieren aan de voorzijde van het bovenbeen.
-        Voorgaande blessure aan de knie.
-        Overgewicht: overgewicht geeft meer kans op knieklachten, maar dit geldt niet specifiek voor  patello-femorale klachten 
-        Sport: zware trainingen, met name waar rennen en springen bij betrokken zijn, kunnen zorgen       voor anteriore kniepijn.
-        Beroep: beroepen waarbij de knie zwaar wordt belast geven meer kans op anteriore kniepijn.         Vooral beroepen waarbij veel kniebuigingen moeten worden gemaakt.

Wat kan de fysiotherapeut voor u betekenen?
Fysiotherapie kan het herstel van de klacht gunstig beïnvloeden:

-        De fysiotherapeut kan samen met u een trainingsprogramma opstellen dat gericht is op het             verbeteren van de spierfunctie van de bovenbeenspieren. 
-        De fysiotherapeut kan kijken naar de stand van de gewrichten: staat de knieschijf in een                   abnormale stand? Is er sprake van een afwijkende voetenstand?
-        Eventueel kan de knie getaped worden om het gewricht tussen de knieschijf en het bovenbeen te     ontlasten.

Uit onderzoek is gebleken dat een oefenprogramma onder begeleiding van de fysiotherapeut dat bestaat uit oefeningen om de bovenbeenspieren te versterken een gunstige effect heeft op zowel de pijn als de verbetering van het activiteitenniveau. 
Een kniebrace geeft in veel gevallen geen of onvoldoende pijnvermindering en wordt daarom niet aangeraden.

Adviezen
Het is belangrijk om normaal actief te blijven, ook al zijn bepaalde bewegingen in 1e instantie pijnlijk. Indien er sprake is van een afwijkende voetenstand, komt de knie in een andere stand te staan. Dan wordt geadviseerd om naar een podotherapeut te gaan om steunzolen aan te laten meten.

Achillespeesklachten

Wat is achillespeestendinose?
Klachten aan de achillespees worden vaak veroorzaakt door een slijtage (ofwel degeneratie) van de achillespees, ook wel achillespees-tendinose genoemd. Niet te verwarren met een achillepeestendinitis, waarbij er een ontstekings-proces gaande is. De achillespees wordt gevormd door het samenkomen van 2 spieren, namelijk de diepe kuitspier (Soleus), die alleen een functie heeft over het enkelgewricht en de oppervlakkige kuitspier (Gastrocnemius), welke boven de knie aanhecht.Achillespeesproblemen komen vaak voor bij sporters met een herhaalde drukbelasting van de achillespees. Er zijn grote krachten werkzaam op de achillespees tijdens het sporten. De klachten waaraan de achillespees blootstaat kunnen oplopen van drie- tot zevenmaal het lichaamsgewicht. Zelfs bij gewoon wandelen komen er al forse krachten op de achillespees te staan. Bij de meerderheid van mensen met een achillespeestendinose is er 1,5 tot 7 centimeter boven de hak een zwelling aanwezig. 

Kenmerkend voor beginnende achillespees-klachten is de stijfheid na het opstaan en startproblemen tijdens het lopen.De meest gemelde leeftijdscategorie bij achillespeesletsels is tussen de 30 en 40 jaar.  Daarnaast komt deze klacht meer voor bij mannen dan bij vrouwen.

Het beloop
Het beloop van achillespeestendinose is moeilijk te voorspellen. Onderzoek is gedaan over een periode van 8 jaar. 84% kan zijn/haar sporta-ctiviteiten binnen deze tijd op het oude niveau hervatten. 59% heeft geen klachten meer, 35% heeft nog milde klachten gerelateerd aan inspanning.

Hoe vaak komen achillespeesklachten voor?
Chronische pijnklachten gelokaliseerd in de achillespees worden regelmatig gezien, vooral bij hardlopers. Achillespeesklachten komen steeds vaker voor door het voortschrijden van de leeftijd van de atleten. Uit onderzoek komt naar voren dat de overbelastingsblessures van de achillespees meer voorkomen bij de oudere sporter vergeleken met andere overbelastings-blessures. De symptomen worden niet alleen bij sporters gezien, maar ook bij personen die niet lichamelijk actief zijn. Bij personen met een inactieve levensstijl zou een korte wandeling genoeg activiteit kunnen zijn om een overbelastingsklacht uit te lokken in de achillespees. 

Factoren die de kans op het krijgen van achillespeestendinose vergroten.

-        Mannen hebben meer kans dan vrouwen

-        Afnemende doorbloeding bij het ouder worden

-        Verminderde spierkracht & flexibiliteit van de kuitspieren

-        Overgewicht

-        Voet vormafwijkingen

-        Verhoogde beweeglijkheid (met name een ‘holvoet’)

-        Verandering van trainingsintensiteit (‘too much, too soon’)

-        Slechte looptechniek

-        Slecht schoeisel

-        Corticosteroïdgebruik (corticosteroïden hebben een krachtige werking tegen                                        ontstekingsprocessen)

Adviezen
Probeer ondanks de pijnklachten toch actief te blijven. Hiermee onderhoudt u de algehele conditie en zorgt u voor een verbeterde doorbloeding van de achillespees. Fietsen is een zeer goed alternatief waarbij de achillespees niet zwaar belast wordt. 

Wat kan fysiotherapie voor u betekenen?
Fysiotherapie kan het herstel van achillespeestendinose bevorderen:
Voorlichting
De fysiotherapeut kan u voorlichting geven over het klachtenbeeld en op  welke manier u de belasting aan moet passen.

Oefentherapie
De fysiotherapeut kan samen met u een oefenprogramma opstellen om uw activiteitenniveau weer te verhogen. Uit onderzoek is gebleken dat speciale oefeningen (excentrische oefeningen) voor de achillespees effectief zijn. Na 6 tot 12 weken is er sprake van minder pijn en kunt u de achillespees beter belasten.

In uiterste gevallen, als de klachten niet overgaan en u sterk beperkt wordt in uw functioneren, kan een operatie overwogen worden. Deze is in de meeste gevallen (75-100%) effectief.

Enkelletsel

Acuut enkelletsel
Onder acuut enkelletsel verstaan een inversieletsel (het naar binnen omslaan van de enkel) waarbij onderzoek en behandeling plaatsvinden binnen 0 tot 6 weken na het ontstaan ervan. De
sportspecifieke revalidatie bij maximale/topsporters kan zich uitstrekken tot ongeveer twaalf weken na ontstaan van het letsel. Instroom vindt idealiter plaats tussen 0 tot 5 dagen na het ontstaan
van het letsel (acute fase).

Een ‘normaal’ herstelproces leidt binnen 6 tot 8 weken tot functieherstel en genezing zonder restletsels (zoals functionele instabiliteit). Binnen twaalf weken hebben de meeste patiënten het sporten weer hervat op hetzelfde niveau als voor het trauma.
Lopen zal in de meeste gevallen weer mogelijk zijn binnen één tot twee weken. Indien dit niet het geval is, dienen belemmerende factoren te worden opgespoord door de fysiotherapeut.

Functionele instabiliteit
Er is sprake van functionele instabiliteit indien na een inversieletsel restklachten blijven bestaan in de vorm van ‘givingway’ of recidiverend zwikken. Patiënten kunnen angst hebben om (voluit) te belasten. Tijdens langdurige belasting kan pijn ontstaan. Klachten na langdurige belasting kunnen zijn: pijn, zwelling en gewrichtsstijfheid. Symptomen als acute pijn en zwelling zijn minder prominent aanwezig en, indien aanwezig, gerelateerd aan overbelasting of feitelijk opnieuw zwikken.Functionele instabiliteit kan leiden tot ongewenst aangepast gedrag, een afwijkend gangpatroon, het vermijden van dagelijkse bezigheden, of problemen met activiteiten op het werk of met sporten op het gewenste niveau. Factoren die van invloed
kunnen zijn op het ontstaan en/of het voortbestaan van functionele instabiliteit zijn:
• mechanische instabiliteit (laxiteit van het kapsel-bandapparaat);
• verstoorde proprioceptie;
• verminderde spierkracht;
• vertraagde reactietijd van spieren;
• chronische synovitis (ontsteking);
• verminderde beweeglijkheid van de enkel;
• een inadequate wijze van omgaan met de klachten en angst en onzekerheid over de stabiliteit van de enkel.

De fysiotherapeut kan helpen bij een acuut enkelletsel en bij functionele instabiliteit d.m.v. adviezen, looptraining, tapen (indien nodig), oefeningen en sportspecifieke training.

Stabiliserende oefeningen na enkelletstel vindt u hier.